KC05/24-0093
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL – MOTIVERING
Klager heeft klacht ingediend tegen de beslissing om ten aanzien van hem opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregelen (zie KC05/24-0084) een eerste keer te verlengen. Vooreerst stelt de klachtencommissie vast dat de initiële bijzondere veiligheidsmaatregelen liepen van 11 maart 2024 tot en met 17 maart 2024. Klager werd in het kader van deze initiële bijzondere veiligheidsmaatregelen gehoord op 11 maart 2024 om 15u48. Het hoormoment van klager voor de eerste verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregelen vond plaats op 14 maart 2024 om 12u09. Dit betreft nog geen drie dagen na het initiële hoormoment en dit ondanks de geldigheidsduur van de initiële bijzondere veiligheidsmaatregelen tot 17 maart 2024. De klachtencommissie wijst erop dat de directie op 14 maart 2024, zijnde drie dagen na het initiële hoormoment, nog niet kon oordelen of het risico vier dagen later inderdaad nog zou bestaan. Dit betreft naar het oordeel van de klachtencommissie een voorbarig oordeel over de noodzaak van het verlengen van de bijzondere veiligheidsmaatregelen, die volgens de Basiswet immers slechts mogen worden opgelegd voor de strikt noodzakelijke duur.
Bovendien stelt de klachtencommissie vast dat het hoormoment, zoals blijkt uit het verslag ervan, een loutere formaliteit betrof. In de Basiswet wordt vereist dat de gedetineerde wordt gehoord vooraleer de directeur een beslissing neemt tot het opleggen of verlengen van de bijzondere veiligheidsmaatregelen. Voor de klachtencommissie staat vast dat de directie haar beslissing over de eerste verlenging al had genomen nog vooraleer klager werd gehoord, waardoor er niet kan gesproken worden over een daadwerkelijk hoormoment. De klachtencommissie stelt vervolgens nog vast dat de individuele veiligheidsmaatregelen nog steeds bijzonder summier gemotiveerd zijn. Waar dit in dossier KC05/24-0084 onvoldoende was voor een onwettigheid, onredelijkheid of onbillijkheid van de bestreden beslissing, is de klachtencommissie in dit dossier van oordeel dat de specifieke bijzondere veiligheidsmaatregelen onvoldoende werden gemotiveerd. In dit dossier werd eveneens een constante observatie om de dertig minuten bevolen. Deze werd louter gemotiveerd vanuit ‘de ontvluchtingsdreiging’ die uitgaat van klager, zonder het vermelden van individuele omstandigheden waaruit de noodzaak van de precieze maatregel blijkt. Hetzelfde geldt voor de andere veiligheidsmaatregelen, die telkens in algemene termen worden gemotiveerd. De combinatie van al deze maatregelen, waarbij klager maximaal wordt afgesneden van contact met medegedetineerden én waarbij zijn bezoek ook wordt beperkt tot glasbezoek, is zeer ingrijpend. De summiere motivering van elk van de individuele veiligheidsmaatregelen is naar het oordeel van de klachtencommissie niet evenredig met de striktheid van het aan klager opgelegde regime. De klacht is ontvankelijk en gegrond.
Klager heeft klacht ingediend tegen de beslissing om ten aanzien van hem opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregelen (zie KC05/24-0084) een eerste keer te verlengen. Vooreerst stelt de klachtencommissie vast dat de initiële bijzondere veiligheidsmaatregelen liepen van 11 maart 2024 tot en met 17 maart 2024. Klager werd in het kader van deze initiële bijzondere veiligheidsmaatregelen gehoord op 11 maart 2024 om 15u48. Het hoormoment van klager voor de eerste verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregelen vond plaats op 14 maart 2024 om 12u09. Dit betreft nog geen drie dagen na het initiële hoormoment en dit ondanks de geldigheidsduur van de initiële bijzondere veiligheidsmaatregelen tot 17 maart 2024. De klachtencommissie wijst erop dat de directie op 14 maart 2024, zijnde drie dagen na het initiële hoormoment, nog niet kon oordelen of het risico vier dagen later inderdaad nog zou bestaan. Dit betreft naar het oordeel van de klachtencommissie een voorbarig oordeel over de noodzaak van het verlengen van de bijzondere veiligheidsmaatregelen, die volgens de Basiswet immers slechts mogen worden opgelegd voor de strikt noodzakelijke duur.
Bovendien stelt de klachtencommissie vast dat het hoormoment, zoals blijkt uit het verslag ervan, een loutere formaliteit betrof. In de Basiswet wordt vereist dat de gedetineerde wordt gehoord vooraleer de directeur een beslissing neemt tot het opleggen of verlengen van de bijzondere veiligheidsmaatregelen. Voor de klachtencommissie staat vast dat de directie haar beslissing over de eerste verlenging al had genomen nog vooraleer klager werd gehoord, waardoor er niet kan gesproken worden over een daadwerkelijk hoormoment. De klachtencommissie stelt vervolgens nog vast dat de individuele veiligheidsmaatregelen nog steeds bijzonder summier gemotiveerd zijn. Waar dit in dossier KC05/24-0084 onvoldoende was voor een onwettigheid, onredelijkheid of onbillijkheid van de bestreden beslissing, is de klachtencommissie in dit dossier van oordeel dat de specifieke bijzondere veiligheidsmaatregelen onvoldoende werden gemotiveerd. In dit dossier werd eveneens een constante observatie om de dertig minuten bevolen. Deze werd louter gemotiveerd vanuit ‘de ontvluchtingsdreiging’ die uitgaat van klager, zonder het vermelden van individuele omstandigheden waaruit de noodzaak van de precieze maatregel blijkt. Hetzelfde geldt voor de andere veiligheidsmaatregelen, die telkens in algemene termen worden gemotiveerd. De combinatie van al deze maatregelen, waarbij klager maximaal wordt afgesneden van contact met medegedetineerden én waarbij zijn bezoek ook wordt beperkt tot glasbezoek, is zeer ingrijpend. De summiere motivering van elk van de individuele veiligheidsmaatregelen is naar het oordeel van de klachtencommissie niet evenredig met de striktheid van het aan klager opgelegde regime. De klacht is ontvankelijk en gegrond.