KC05/24-0070
Non fondée
Irrecevable
KC - Brugge
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Mesure provisoire
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT – ONTSLAG – EXTERNE RECHTSPOSITIE – REGIMEMUTATIE
Klager heeft zes klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel. Deze beslissing werd als volgt gemotiveerd: “ontvreemden en het onklaar maken van de urinetesten”. De klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel summier gemotiveerd is. Er wordt niet expliciet vermeld in de beslissing waarom deze feiten een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uitmaakten. Toch is het voor de klachtencommissie duidelijk genoeg waarom de directie uit het gedrag van klager (het onklaar maken van urinetesten) van oordeel was dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was die het opleggen van een voorlopige maatregel ten aanzien van hem rechtvaardigde. De eerste klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van dertig dagen ATV wegens één tuchtinbreuk van eerste categorie, zijnde de wederrechtelijke ontvreemding van goederen en één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden. De klachtencommissie acht deze beslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De directie verklaarde klager schuldig aan de feiten, hoofdzakelijk op basis van zijn bekentenissen. Dit werd ook op deze manier gemotiveerd in de tuchtbeslissing. Klager stelt in het kader van zijn huidige klacht nog dat er sprake was van uitlokking, omdat de deur naar de ruimte waarin de urinetesten werden bewaard niet gesloten was. Er is in dit dossier volgens de klachtencommissie geen sprake van uitlokking. Er is geen enkele indicatie dat er doelbewust een bepaalde situatie zou zijn gecreëerd waarbij klager op ontoelaatbare zou zijn uitgelokt om over te gaan tot de hem ten laste gelegde tuchtfeiten. Klager is ten volle verantwoordelijk voor de door hem gepleegde feiten. De tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De derde klacht gaat over de beslissing waarbij klager werd afgezet van zijn werk op de Drugsvrije Afdeling (DVA). Klager werd door de directie gemuteerd van de DVA naar een gesloten sectie. Door deze mutatie kon klager niet langer zijn functie uitoefenen op de DVA. De directie had voldoende redenen op basis waarvan zij kon beslissen om klager niet langer te laten verblijven op de DVA. Dat klager hierdoor in eenzelfde beweging niet langer zijn functie op deze afdeling kon uitoefenen, is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Klager percipieert dit ontslag als een bijkomende sanctie naast en bovenop zijn tuchtsanctie. De klachtencommissie is er echter niet van overtuigd dat de directie deze beslissing met een bestraffend oogmerk heeft genomen. De derde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De vierde klacht gaat over de beslissing waarbij alle gedetineerden op de DVA een gele kaart kregen. De klachtencommissie wijst erop dat het vereiste individuele karakter van een directiebeslissing slaat op de noodzaak dat een klacht gaat over de individuele detentiesituatie van een gedetineerde. Klagers vierde klacht betreft wel degelijk een beslissing van de directeur, maar deze heeft niets van doen met klagers individuele detentiesituatie en werd dus niet ‘ten aanzien van hem’ genomen. De vierde klacht is niet ontvankelijk.
De vijfde klacht gaat over het negatieve advies van de directie aan de dienst detentiebeheer over uitgaansvergunningen voor klager. Deze klacht behoort tot de externe rechtspositie van klager, meer specifiek het advies van de directie over de door hem aangevraagde strafuitvoeringsmodaliteit. Het is daarenboven niet de directie zelf die beslist over de toekenning van een uitgaansvergunning, maar wel de dienst detentiebeheer als gemachtigde van de minister van Justitie. De klachtencommissie is niet bevoegd om te oordelen over dergelijke klachten. De vijfde klacht is niet ontvankelijk.
De zesde klacht gaat over de beslissing om klager van de DVA naar een gesloten sectie te muteren. De klachtencommissie stelt vast dat klager verbleef op de DVA, maar urinetesten heeft ontvreemd en vernietigd. Klager geeft deze feiten toe. Door het ontvreemden en vernielen van urinetesten heeft klager doelbewust de dagelijkse werking van het regime op de DVA ernstig verstoord. Dat de directie op basis hiervan meende dat een verder verblijft van klager op deze sectie onmogelijk was, acht de klachtencommissie dan ook niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De zesde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Klager heeft zes klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel. Deze beslissing werd als volgt gemotiveerd: “ontvreemden en het onklaar maken van de urinetesten”. De klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel summier gemotiveerd is. Er wordt niet expliciet vermeld in de beslissing waarom deze feiten een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uitmaakten. Toch is het voor de klachtencommissie duidelijk genoeg waarom de directie uit het gedrag van klager (het onklaar maken van urinetesten) van oordeel was dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was die het opleggen van een voorlopige maatregel ten aanzien van hem rechtvaardigde. De eerste klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van dertig dagen ATV wegens één tuchtinbreuk van eerste categorie, zijnde de wederrechtelijke ontvreemding van goederen en één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden. De klachtencommissie acht deze beslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De directie verklaarde klager schuldig aan de feiten, hoofdzakelijk op basis van zijn bekentenissen. Dit werd ook op deze manier gemotiveerd in de tuchtbeslissing. Klager stelt in het kader van zijn huidige klacht nog dat er sprake was van uitlokking, omdat de deur naar de ruimte waarin de urinetesten werden bewaard niet gesloten was. Er is in dit dossier volgens de klachtencommissie geen sprake van uitlokking. Er is geen enkele indicatie dat er doelbewust een bepaalde situatie zou zijn gecreëerd waarbij klager op ontoelaatbare zou zijn uitgelokt om over te gaan tot de hem ten laste gelegde tuchtfeiten. Klager is ten volle verantwoordelijk voor de door hem gepleegde feiten. De tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De derde klacht gaat over de beslissing waarbij klager werd afgezet van zijn werk op de Drugsvrije Afdeling (DVA). Klager werd door de directie gemuteerd van de DVA naar een gesloten sectie. Door deze mutatie kon klager niet langer zijn functie uitoefenen op de DVA. De directie had voldoende redenen op basis waarvan zij kon beslissen om klager niet langer te laten verblijven op de DVA. Dat klager hierdoor in eenzelfde beweging niet langer zijn functie op deze afdeling kon uitoefenen, is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Klager percipieert dit ontslag als een bijkomende sanctie naast en bovenop zijn tuchtsanctie. De klachtencommissie is er echter niet van overtuigd dat de directie deze beslissing met een bestraffend oogmerk heeft genomen. De derde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De vierde klacht gaat over de beslissing waarbij alle gedetineerden op de DVA een gele kaart kregen. De klachtencommissie wijst erop dat het vereiste individuele karakter van een directiebeslissing slaat op de noodzaak dat een klacht gaat over de individuele detentiesituatie van een gedetineerde. Klagers vierde klacht betreft wel degelijk een beslissing van de directeur, maar deze heeft niets van doen met klagers individuele detentiesituatie en werd dus niet ‘ten aanzien van hem’ genomen. De vierde klacht is niet ontvankelijk.
De vijfde klacht gaat over het negatieve advies van de directie aan de dienst detentiebeheer over uitgaansvergunningen voor klager. Deze klacht behoort tot de externe rechtspositie van klager, meer specifiek het advies van de directie over de door hem aangevraagde strafuitvoeringsmodaliteit. Het is daarenboven niet de directie zelf die beslist over de toekenning van een uitgaansvergunning, maar wel de dienst detentiebeheer als gemachtigde van de minister van Justitie. De klachtencommissie is niet bevoegd om te oordelen over dergelijke klachten. De vijfde klacht is niet ontvankelijk.
De zesde klacht gaat over de beslissing om klager van de DVA naar een gesloten sectie te muteren. De klachtencommissie stelt vast dat klager verbleef op de DVA, maar urinetesten heeft ontvreemd en vernietigd. Klager geeft deze feiten toe. Door het ontvreemden en vernielen van urinetesten heeft klager doelbewust de dagelijkse werking van het regime op de DVA ernstig verstoord. Dat de directie op basis hiervan meende dat een verder verblijft van klager op deze sectie onmogelijk was, acht de klachtencommissie dan ook niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De zesde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.