Ga verder naar de inhoud

KC05/23-0281

Fondée KC - Brugge Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Fouille à corps
VOORLOPIGE MAATREGEL – FOUILLE LICHAAM – TUCHT

Klager heeft drie klachten ingediend.

De eerste klacht gaat over een voorlopige maatregel. Deze werd opgelegd ten aanzien van klager wegens ‘bedreigen en verwijten personeel’. Dat de directie er op het ogenblik van de feiten vanuit is gegaan dat er op dat moment een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid bestond, valt volgens de klachtencommissie binnen haar discretionaire bevoegdheid en maakt de voorlopige maatregel niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De advocaat van klager voerde daarnaast nog aan dat de verderzetting van de voorlopige maatregel disproportioneel was, aangezien klager ernstig ziek en bedlegerig was. Hij vormde om die reden geen gevaar meer voor de veiligheid in de gevangenis. De klachtencommissie is niet overtuigd dat de voorlopige maatregel slechts de strikt noodzakelijke tijd heeft geduurd, o.a. gelet op de medische toestand van klager zoals die door zijn advocaat werd beschreven. Waar er mogelijks op de dag van het opleggen van de voorlopige maatregel een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid voorhanden was, blijkt niet dat dit de daaropvolgende dagen nog steeds zo was. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.

De tweede klacht gaat over een fouillering op het lichaam van klager. Deze fouillering werd bevolen op basis van de feiten die de aanleiding hadden gevormd voor een voorlopige maatregel ('bedreigen en verwijten personeel') en dit louter 'om uit te sluiten dat hij gevaarlijke voorwerpen bij zich heeft'. Er wordt hierbij echter geen enkele individuele aanwijzing gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat klager in het bezit was van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk konden zijn en waarom een fouillering op zijn kledij niet had volstaan om dit na te gaan. De fouillering op het lichaam van klager werd dus op niets meer gebaseerd dan diens plaatsing in de beveiligde cel bij wijze van voorlopige maatregel. Deze tweede klacht is ontvankelijk en gegrond.

De derde klacht gaat over een tuchtsanctie. De advocaat van klager wees erop dat aan klager niet meegedeeld zou zijn dat hij recht had op bijstand van een advocaat. Op de mededeling inzake de tuchtprocedure werd aangekruist dat klager geen bijstand wenste van een advocaat. Er werd aangegeven dat klager de beslissing tekende. Bij het onderdeel waar de gedetineerde moet tekenen, staat echter geen naam van klager noch een datum geschreven,. De ‘handtekening’ betreft een eenvoudig kruisje. Dat dit de handtekening van klager zou zijn, is niet overtuigend. Zo werd bijvoorbeeld de tuchtbeslissing ook aan klager bezorgd. Op deze beslissing heeft klager wel een handtekening gezet, die niet lijkt op het eenvoudige kruisje dat op de mededeling inzake de tuchtprocedure door klager zou gezet zijn. De klachtencommissie is er daarom niet van overtuigd dat klager in de gelegenheid werd gesteld om zich te laten bijstaan door een advocaat op de tuchtzitting. Alleen al om deze reden is de tuchtbeslissing onwettig. Deze derde klacht is ontvankelijk en gegrond.