KC05/23-0188
Non fondée
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM – MOTIVERING – VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT
Klager heeft drie klachten ingediend.
De eerste klacht gaat over een fouillering op zijn lichaam. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Betrokkene kreeg een controle van de verblijfsruimte om uit te sluiten dat er verboden substanties of voorwerpen aanwezig waren, om ook uit te sluiten dat er verboden en gevaarlijke voorwerpen op het lichaam aanwezig zijn”. Uit deze summiere vermelding blijkt naar het oordeel van de klachtencommissie niet waarom in het specifieke geval van klager een fouillering op zijn lichaam gerechtvaardigd was. De loutere vermelding “om uit te sluiten dat er verboden en gevaarlijke voorwerpen op het lichaam aanwezig zijn” kan op gelijk welke gedetineerde in gelijk welke situatie van toepassing zijn. Welke geïndividualiseerde redenen er in het geval van klager bestonden waaruit bleek dat hij mogelijks in het bezit zou geweest zijn van dergelijke voorwerpen en een fouillering op de kledij niet had volstaan om deze te vinden, blijkt nergens uit. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.
De tweede klacht gaat over een voorlopige maatregel. Er werd een vermoedelijke verboden substantie aangetroffen op de cel van klager, waarvan de directie op het moment van het nemen van de voorlopige maatregel niet wist wat deze substantie precies was. Daarnaast werd ook het dopje van een injectienaald aangetroffen, wat kon wijzen op de aanwezigheid van een of meerdere injectienaalden. In de voorlopige maatregel wordt verder nog melding gemaakt van het feit dat klager zich weerspannig zou hebben opgesteld. Dat de directie op basis van al deze informatie meende dat er zich een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid had voorgedaan, is naar het oordeel van de klachtencommissie begrijpelijk. Deze tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing wegens een tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Ten aanzien van klager werd het uitstel dat was verbonden aan een eerdere tuchtsanctie (één week ATV) herroepen, zodat deze in uitvoering kwam. Klager werd enkel bestraft voor het ene feit van opstandig gedrag. Hij heeft dit feit op de tuchtzitting toegegeven en stelde dat hij zijn sanctie zou aanvaarden. Deze derde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Klager heeft drie klachten ingediend.
De eerste klacht gaat over een fouillering op zijn lichaam. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Betrokkene kreeg een controle van de verblijfsruimte om uit te sluiten dat er verboden substanties of voorwerpen aanwezig waren, om ook uit te sluiten dat er verboden en gevaarlijke voorwerpen op het lichaam aanwezig zijn”. Uit deze summiere vermelding blijkt naar het oordeel van de klachtencommissie niet waarom in het specifieke geval van klager een fouillering op zijn lichaam gerechtvaardigd was. De loutere vermelding “om uit te sluiten dat er verboden en gevaarlijke voorwerpen op het lichaam aanwezig zijn” kan op gelijk welke gedetineerde in gelijk welke situatie van toepassing zijn. Welke geïndividualiseerde redenen er in het geval van klager bestonden waaruit bleek dat hij mogelijks in het bezit zou geweest zijn van dergelijke voorwerpen en een fouillering op de kledij niet had volstaan om deze te vinden, blijkt nergens uit. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.
De tweede klacht gaat over een voorlopige maatregel. Er werd een vermoedelijke verboden substantie aangetroffen op de cel van klager, waarvan de directie op het moment van het nemen van de voorlopige maatregel niet wist wat deze substantie precies was. Daarnaast werd ook het dopje van een injectienaald aangetroffen, wat kon wijzen op de aanwezigheid van een of meerdere injectienaalden. In de voorlopige maatregel wordt verder nog melding gemaakt van het feit dat klager zich weerspannig zou hebben opgesteld. Dat de directie op basis van al deze informatie meende dat er zich een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid had voorgedaan, is naar het oordeel van de klachtencommissie begrijpelijk. Deze tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing wegens een tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Ten aanzien van klager werd het uitstel dat was verbonden aan een eerdere tuchtsanctie (één week ATV) herroepen, zodat deze in uitvoering kwam. Klager werd enkel bestraft voor het ene feit van opstandig gedrag. Hij heeft dit feit op de tuchtzitting toegegeven en stelde dat hij zijn sanctie zou aanvaarden. Deze derde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.