KC05/23-0172
Non fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Autre décision directeur
BEZOEK
De klacht gaat over een situatie die zich heeft voorgedaan in de bezoekzaal van de gevangenis op het moment dat klager bezoek kreeg van zijn minderjarige zoon. De directie betwistte in haar verweer en op de zitting van de klachtencommissie de ontvankelijkheid van de klacht, omdat er geen geïndividualiseerde beslissing van de directie voorhanden was. De klachtencommissie wijst erop dat in de Basiswet wordt bepaald dat het inrichtingshoofd er zorg voor draagt dat het bezoek kan plaatsvinden in omstandigheden die de banden met het affectief milieu in stand houden of bevorderen, inzonderheid wanneer het een bezoek door minderjarigen aan hun ouder betreft. Als een gedetineerde klacht indient tegen een situatie die voortvloeit uit het handelen van beambten en dit verband houdt met deze zorgplicht, kan het voorwerp van dergelijke klacht niet zomaar worden beschouwd als louter feitelijk handelen van een personeelslid dat buiten het toepassingsgebied van het beklagrecht zou vallen. Of een zorgplicht ten aanzien van een bepaalde gedetineerde in een specifiek dossier al dan niet werd nageleefd, betreft volgens de klachtencommissie echter eerder een beoordeling van de gegrondheid van een klacht en niet zozeer van de ontvankelijkheid ervan. Deze klacht van klager is beklagwaardig. Wat betreft de gegrondheid van de klacht is de klachtencommissie er op basis van de beschikbare informatie echter niet van overtuigd dat de directie de op haar rustende zorgplicht in het geval van klager niet zou hebben nageleefd. Gegeven de specifieke context van deze zaak heeft klager volgens de klachtencommissie niet op aannemelijke aangetoond dat de directie onvoldoende zorg aan de dag heeft gelegd in het waarborgen van een context waarin het bezoek van klager kon plaatsvinden in omstandigheden die de affectieve banden met zijn zoon in stand hielden of bevorderden. Deze klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De klacht gaat over een situatie die zich heeft voorgedaan in de bezoekzaal van de gevangenis op het moment dat klager bezoek kreeg van zijn minderjarige zoon. De directie betwistte in haar verweer en op de zitting van de klachtencommissie de ontvankelijkheid van de klacht, omdat er geen geïndividualiseerde beslissing van de directie voorhanden was. De klachtencommissie wijst erop dat in de Basiswet wordt bepaald dat het inrichtingshoofd er zorg voor draagt dat het bezoek kan plaatsvinden in omstandigheden die de banden met het affectief milieu in stand houden of bevorderen, inzonderheid wanneer het een bezoek door minderjarigen aan hun ouder betreft. Als een gedetineerde klacht indient tegen een situatie die voortvloeit uit het handelen van beambten en dit verband houdt met deze zorgplicht, kan het voorwerp van dergelijke klacht niet zomaar worden beschouwd als louter feitelijk handelen van een personeelslid dat buiten het toepassingsgebied van het beklagrecht zou vallen. Of een zorgplicht ten aanzien van een bepaalde gedetineerde in een specifiek dossier al dan niet werd nageleefd, betreft volgens de klachtencommissie echter eerder een beoordeling van de gegrondheid van een klacht en niet zozeer van de ontvankelijkheid ervan. Deze klacht van klager is beklagwaardig. Wat betreft de gegrondheid van de klacht is de klachtencommissie er op basis van de beschikbare informatie echter niet van overtuigd dat de directie de op haar rustende zorgplicht in het geval van klager niet zou hebben nageleefd. Gegeven de specifieke context van deze zaak heeft klager volgens de klachtencommissie niet op aannemelijke aangetoond dat de directie onvoldoende zorg aan de dag heeft gelegd in het waarborgen van een context waarin het bezoek van klager kon plaatsvinden in omstandigheden die de affectieve banden met zijn zoon in stand hielden of bevorderden. Deze klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.