KC05/23-0035
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Autre décision directeur
BEZOEK
Klager heeft klacht ingediend tegen de weigering van de directie tot het voorzien in een uitzondering op bepaalde bezoekmodaliteiten tijdens het sociaal bezoek van klager met zijn minderjarige zoon, dat in de advocatengang dient door te gaan. Klager had aan de directie gevraagd of het mogelijk was om tijdens het bezoek van zijn zoontje speelgoed ter beschikking te stellen, alsook in de mogelijkheid te voorzien dat iets te eten en te drinken kon worden aangekocht. De directie stond dit niet toe. Deze weigering vormt een beklagenswaardige beslissing. De klacht is ontvankelijk.
Wat betreft de gegrondheid, wijst de klachtencommissie op artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Los van de vraag of dit verdrag rechtstreekse werking heeft, is de klachtencommissie van oordeel dat het in artikel 3.1 vermelde ‘belang van het kind’ minstens van doorslaggevend belang is in haar toets of een door de gevangenisdirectie genomen beslissing ‘redelijk’ was. De Basiswet vermeldt bij de redelijkheidstoets zelfs expliciet 'bij afweging van alle in aanmerking komende belangen'. De klachtencommissie stelt vast dat nergens uit het dossier blijkt dat bij de beslissing van de directie het ‘belang van het kind’ mee in overweging werd genomen. Er wordt geen enkel valabel argument gegeven waarom het niet mogelijk is om enkele stukken speelgoed ter beschikking te stellen en klager de mogelijkheid te bieden om iets te eten en drinken voor zijn kind aan te kopen wanneer het bezoek in de advocatengang doorgaat. Deze weigering is naar het oordeel van de klachtencommissie dan ook onredelijk. De klacht is ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en stelt haar beslissing in de plaats, waarbij zij bepaalt dat vanaf heden, bij ieder bezoek tussen klager en zijn minderjarige kind, speelgoed moet worden voorzien alsook aan klager de mogelijkheid moet geboden worden om, op eigen kosten, in eten en drinken te voorzien.
Klager heeft klacht ingediend tegen de weigering van de directie tot het voorzien in een uitzondering op bepaalde bezoekmodaliteiten tijdens het sociaal bezoek van klager met zijn minderjarige zoon, dat in de advocatengang dient door te gaan. Klager had aan de directie gevraagd of het mogelijk was om tijdens het bezoek van zijn zoontje speelgoed ter beschikking te stellen, alsook in de mogelijkheid te voorzien dat iets te eten en te drinken kon worden aangekocht. De directie stond dit niet toe. Deze weigering vormt een beklagenswaardige beslissing. De klacht is ontvankelijk.
Wat betreft de gegrondheid, wijst de klachtencommissie op artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Los van de vraag of dit verdrag rechtstreekse werking heeft, is de klachtencommissie van oordeel dat het in artikel 3.1 vermelde ‘belang van het kind’ minstens van doorslaggevend belang is in haar toets of een door de gevangenisdirectie genomen beslissing ‘redelijk’ was. De Basiswet vermeldt bij de redelijkheidstoets zelfs expliciet 'bij afweging van alle in aanmerking komende belangen'. De klachtencommissie stelt vast dat nergens uit het dossier blijkt dat bij de beslissing van de directie het ‘belang van het kind’ mee in overweging werd genomen. Er wordt geen enkel valabel argument gegeven waarom het niet mogelijk is om enkele stukken speelgoed ter beschikking te stellen en klager de mogelijkheid te bieden om iets te eten en drinken voor zijn kind aan te kopen wanneer het bezoek in de advocatengang doorgaat. Deze weigering is naar het oordeel van de klachtencommissie dan ook onredelijk. De klacht is ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en stelt haar beslissing in de plaats, waarbij zij bepaalt dat vanaf heden, bij ieder bezoek tussen klager en zijn minderjarige kind, speelgoed moet worden voorzien alsook aan klager de mogelijkheid moet geboden worden om, op eigen kosten, in eten en drinken te voorzien.