TUCHT – MOTIVERING
Klager heeft twee klachten ingediend, die allebei gericht zijn tegen een tuchtsanctie.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van één week ATV wegens het negeren van bevelen van personeel op de werkplaats. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie voldoende elementen had om de feiten ten aanzien van klager als bewezen te beschouwen. De klachtencommissie stelt vervolgens dat de tuchtbeslissing ook voldoet aan de vereisten van de motiveringsplicht. Uit de tuchtbeslissing blijkt duidelijk welke feiten klager ten laste worden gelegd en welke tuchtinbreuk de directie ten aanzien van hem bewezen achtte. Daarnaast heeft de directie in de tuchtbeslissing voldoende geïndividualiseerde en specifieke elementen aangehaald die haar hebben bewogen tot het weerhouden van de inbreuk. Zodoende is zowel in rechte als in feite voor klager duidelijk waarom de directie hem heeft gesanctioneerd. Deze eerste klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van drie weken ATV wegens een (poging tot) oplichting ten aanzien van een medegedetineerde en het klimmen over een omheining tijdens de wandeling. Ook met betrekking tot deze tweede klacht is de klachtencommissie van oordeel dat de directie voldoende elementen had om de feiten ten aanzien van klager als bewezen te beschouwen. De klachtencommissie stelt vervolgens dat de tuchtbeslissing op het vlak van de door klager bestreden aspecten opnieuw ook voldoet aan de vereisten van de motiveringsplicht. De klachtencommissie merkt hierbij louter nog op dat de directie (alsook de klachtencommissie) geen uitspraak kan doen over de vraag of klager strafbare feiten heeft gepleegd en dus schuldig is aan een misdrijf. De directie oordeelt enkel over de tuchtrechtelijke schuld van klager aan een hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk. In die zin is het raadzaam om ook de motivering van de tuchtbeslissing aan te passen aan de in de Basiswet gehanteerde terminologie (aantasting van de psychische integriteit, wederrechtelijke ontvreemding van goederen …) eerder dan te verwijzen naar een ‘poging tot oplichting’. De klachtencommissie acht dit aspect echter niet van die orde dat dit de bestreden beslissing onwettig, onredelijk of onbillijk maakt. Deze tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Klager heeft twee klachten ingediend, die allebei gericht zijn tegen een tuchtsanctie.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van één week ATV wegens het negeren van bevelen van personeel op de werkplaats. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie voldoende elementen had om de feiten ten aanzien van klager als bewezen te beschouwen. De klachtencommissie stelt vervolgens dat de tuchtbeslissing ook voldoet aan de vereisten van de motiveringsplicht. Uit de tuchtbeslissing blijkt duidelijk welke feiten klager ten laste worden gelegd en welke tuchtinbreuk de directie ten aanzien van hem bewezen achtte. Daarnaast heeft de directie in de tuchtbeslissing voldoende geïndividualiseerde en specifieke elementen aangehaald die haar hebben bewogen tot het weerhouden van de inbreuk. Zodoende is zowel in rechte als in feite voor klager duidelijk waarom de directie hem heeft gesanctioneerd. Deze eerste klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van drie weken ATV wegens een (poging tot) oplichting ten aanzien van een medegedetineerde en het klimmen over een omheining tijdens de wandeling. Ook met betrekking tot deze tweede klacht is de klachtencommissie van oordeel dat de directie voldoende elementen had om de feiten ten aanzien van klager als bewezen te beschouwen. De klachtencommissie stelt vervolgens dat de tuchtbeslissing op het vlak van de door klager bestreden aspecten opnieuw ook voldoet aan de vereisten van de motiveringsplicht. De klachtencommissie merkt hierbij louter nog op dat de directie (alsook de klachtencommissie) geen uitspraak kan doen over de vraag of klager strafbare feiten heeft gepleegd en dus schuldig is aan een misdrijf. De directie oordeelt enkel over de tuchtrechtelijke schuld van klager aan een hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk. In die zin is het raadzaam om ook de motivering van de tuchtbeslissing aan te passen aan de in de Basiswet gehanteerde terminologie (aantasting van de psychische integriteit, wederrechtelijke ontvreemding van goederen …) eerder dan te verwijzen naar een ‘poging tot oplichting’. De klachtencommissie acht dit aspect echter niet van die orde dat dit de bestreden beslissing onwettig, onredelijk of onbillijk maakt. Deze tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.