Ga verder naar de inhoud

KC05/22-0184

Non fondée Fondée Compensation KC - Brugge Commission des plaintes Autre décision directeur Disciplinaire Mesure d'ordre Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM – SUBSIDIARITEIT – TEGEMOETKOMING – TUCHT – MOTIVERING – REGIMEMUTATIE – ORDEMAATREGEL – ONTSLAG – VERTROUWENSFUNCTIE

Klager heeft vier klachten ingediend.

De eerste klacht is gericht tegen een fouillering op het lichaam van klager. De klachtencommissie werd in deze zaak, ondanks een expliciet verzoek daartoe, niet in het bezit gesteld van de beslissing tot fouillering op het lichaam. Zelfs zonder deze beslissing is het voor de klachtencommissie echter duidelijk dat de fouillering op het lichaam niet evenredig of subsidiair was. De directie was naar aanleiding van de ontvreemding van een horloge uit de douches specifiek op zoek naar dit horloge. Het resultaat van de celcontrole werd echter niet afgewacht. Er vond gelijktijdig met de celcontrole een fouillering op het lichaam van klager plaats. Nochtans werd vrij snel tijdens de celcontrole het horloge aangetroffen. Indien de directie het resultaat van de celcontrole had afgewacht, was duidelijk geworden dat een fouillering op het lichaam van klager niet nodig was. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie kent aan klager de volgende tegemoetkoming toe: dertig (30) minuten extra gratis beltijd.

De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing, naar aanleiding van de ontvreemding van een horloge. De klachtencommissie brengt vooreerst de relevante principes over de motiveringsplicht bij tuchtsancties in herinnering. Wat betreft de tuchtbeslissing ten aanzien van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie voldoende elementen had om de feiten ten aanzien van klager als bewezen te beschouwen. De tuchtbeslissing voldoet vervolgens ook aan de vereisten van de motiveringsplicht. Deze tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.

De derde klacht is gericht tegen de verwijdering van klager van sectie 38A. In dezen is het duidelijk dat de directie een verder verblijf van klager op deze sectie onverenigbaar achtte met de door hem gepleegde tuchtrechtelijke inbreuk. Door deze inbreuk is het vereiste vertrouwen voor een verblijf op deze sectie geschonden. Deze derde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.

De vierde klacht is gericht tegen de afzetting van klager van zijn vertrouwensfunctie via ordemaatregel. De directie heeft zich op datum van deze ordemaatregel gebaseerd op de vaststellingen en de feitenvinding naar aanleiding van de tuchtprocedure van enkele weken daarvoor. Het is evenwel duidelijk dat de directie, naar aanleiding van de gepleegde tuchtinbreuk, ook het door haar in klager gestelde vertrouwen kwijt was. Zoals de directie stelt in haar verweer, is dit vertrouwen inherent aan en essentieel voor de uitoefening van een vertrouwensfunctie. Deze vierde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/23-0043