KC05/22-0144
Non fondée
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT – GEZONDHEID
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van 6 september 2022. Er werd klager verweten dat hij onrechtmatig krukken gebruikte. Klager zou niet in het bezit geweest zijn van een medisch attest waaruit bleek dat hij krukken mocht gebruiken. Hoewel de klachtencommissie niet in het bezit werd gesteld van het bedoelde attest en dit ook niet in het overgemaakte tuchtdossier van klager werd opgenomen, blijkt uit alle elementen van het dossier dat er in de loop van de tuchtprocedure wel degelijk een dergelijk attest is voorgelegd waarin deze medische toestemming was opgenomen. Dat de arts dit attest niet onmiddellijk heeft meegegeven of dat de arts die telefonisch door de PBA werd gecontacteerd blijkbaar niet op de hoogte was van het bestaan van deze medische toestemming, betreft geenszins een aan klager toerekenbare fout.
Dat de directie vervolgens bepaalde in het RAD vermelde feiten bewezen acht, is op zichzelf niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt echter niet of – en desgevallend in welke mate – de directie bij de keuze voor de aard en omvang van de sanctie rekening heeft gehouden met de verzachtende omstandigheid dat klager wel degelijk de medische toestemming had om krukken te gebruiken. Op basis van alle informatie meent de klachtencommissie dat een tuchtsanctie van tien dagen ATV voor deze feiten onredelijk is, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak en de duidelijke verzachtende omstandigheden. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 6 september 2022 en stelt haar uitspraak in de plaats; meer specifiek dient de bestreden tuchtbeslissing te worden vervangen door de tuchtsanctie van ‘een berisping met inschrijving in het artikel 146 Basiswet bedoelde tuchtregister’.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van 9 september 2022. Deze feiten hebben betrekking op het bedreigen van personeel, verbale agressie en het verstoren van de orde. In tegenstelling tot de eerste klacht, acht de klachtencommissie deze bestreden beslissing niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk. Klager geeft de feiten toe en tracht deze te kaderen, maar de aangehaalde argumenten rechtvaardigen geenszins de door klager geuite bedreigingen ten aanzien van het personeel. Deze tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van 6 september 2022. Er werd klager verweten dat hij onrechtmatig krukken gebruikte. Klager zou niet in het bezit geweest zijn van een medisch attest waaruit bleek dat hij krukken mocht gebruiken. Hoewel de klachtencommissie niet in het bezit werd gesteld van het bedoelde attest en dit ook niet in het overgemaakte tuchtdossier van klager werd opgenomen, blijkt uit alle elementen van het dossier dat er in de loop van de tuchtprocedure wel degelijk een dergelijk attest is voorgelegd waarin deze medische toestemming was opgenomen. Dat de arts dit attest niet onmiddellijk heeft meegegeven of dat de arts die telefonisch door de PBA werd gecontacteerd blijkbaar niet op de hoogte was van het bestaan van deze medische toestemming, betreft geenszins een aan klager toerekenbare fout.
Dat de directie vervolgens bepaalde in het RAD vermelde feiten bewezen acht, is op zichzelf niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt echter niet of – en desgevallend in welke mate – de directie bij de keuze voor de aard en omvang van de sanctie rekening heeft gehouden met de verzachtende omstandigheid dat klager wel degelijk de medische toestemming had om krukken te gebruiken. Op basis van alle informatie meent de klachtencommissie dat een tuchtsanctie van tien dagen ATV voor deze feiten onredelijk is, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak en de duidelijke verzachtende omstandigheden. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 6 september 2022 en stelt haar uitspraak in de plaats; meer specifiek dient de bestreden tuchtbeslissing te worden vervangen door de tuchtsanctie van ‘een berisping met inschrijving in het artikel 146 Basiswet bedoelde tuchtregister’.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van 9 september 2022. Deze feiten hebben betrekking op het bedreigen van personeel, verbale agressie en het verstoren van de orde. In tegenstelling tot de eerste klacht, acht de klachtencommissie deze bestreden beslissing niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk. Klager geeft de feiten toe en tracht deze te kaderen, maar de aangehaalde argumenten rechtvaardigen geenszins de door klager geuite bedreigingen ten aanzien van het personeel. Deze tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.