KC04/26-0121
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
TUCHT - ARBEID - ONTSLAG
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 23.05.2026 en een afzetting van werk.
Over de tuchtbeslissing: klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 10 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee”.
De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in het tweede rapport aan de directeur (RAD) als voormelde inbreuk werden gekwalificeerd. De klachtencommissie acht voormelde kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Uit het tweede RAD volgt dat klager liet weten dat hij de tv had stukgeslagen. Hij gaf de feiten toe.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De feiten vormen een tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie, die kunnen worden gestraft met een maximum van 30 dagen ATV. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf van 10 dagen ATV heeft opgelegd. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over de afzetting van werk/reservelijst: de klachtencommissie heeft geen beslissing van de directie ontvangen. De klachtencommissie besluit, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State, dat de afwezigheid van een administratief dossier wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van deugdelijke motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De klachtencommissie heeft geen zicht op welke precieze motieven de directie haar beslissing heeft gesteund. De directie ondersteunt haar argument verder niet. Bij gebreke aan dossier kan de klachtencommissie immers geen daadwerkelijke controle op de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de aangevochten beslissing uitoefenen.
Uit de dossierstukken van de directie en de klacht van klager blijkt dat klager niet over een eventueel ontslag/schrapping van de reservelijst werd gehoord of gewaarschuwd. Uit de verklaringen van de raadsman van klager en de directie op de zitting van de klachtencommissie blijkt ook niet dat klager door de directie werd gehoord. Met betrekking tot het horen van een gedetineerde voorafgaand aan een ontslag verwijst de klachtencommissie naar de beslissing van 15/01/2026 van de Nederlandstalige Beroepscommissie (BC25-0320). In casu waren geen redenen om de hoorplicht niet van toepassing te achten. De klachtencommissie besluit tot een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur (de hoorplicht). De beslissing die werd genomen zonder klager vooraf te horen, werd dan ook niet regelmatig genomen.
De klacht is bijgevolg gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing. Zij bepaalt dat klager, ten gevolge van deze vernietiging, opnieuw op de reservelijst moet worden geplaatst.
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 23.05.2026 en een afzetting van werk.
Over de tuchtbeslissing: klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 10 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee”.
De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in het tweede rapport aan de directeur (RAD) als voormelde inbreuk werden gekwalificeerd. De klachtencommissie acht voormelde kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Uit het tweede RAD volgt dat klager liet weten dat hij de tv had stukgeslagen. Hij gaf de feiten toe.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De feiten vormen een tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie, die kunnen worden gestraft met een maximum van 30 dagen ATV. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf van 10 dagen ATV heeft opgelegd. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over de afzetting van werk/reservelijst: de klachtencommissie heeft geen beslissing van de directie ontvangen. De klachtencommissie besluit, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State, dat de afwezigheid van een administratief dossier wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van deugdelijke motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De klachtencommissie heeft geen zicht op welke precieze motieven de directie haar beslissing heeft gesteund. De directie ondersteunt haar argument verder niet. Bij gebreke aan dossier kan de klachtencommissie immers geen daadwerkelijke controle op de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de aangevochten beslissing uitoefenen.
Uit de dossierstukken van de directie en de klacht van klager blijkt dat klager niet over een eventueel ontslag/schrapping van de reservelijst werd gehoord of gewaarschuwd. Uit de verklaringen van de raadsman van klager en de directie op de zitting van de klachtencommissie blijkt ook niet dat klager door de directie werd gehoord. Met betrekking tot het horen van een gedetineerde voorafgaand aan een ontslag verwijst de klachtencommissie naar de beslissing van 15/01/2026 van de Nederlandstalige Beroepscommissie (BC25-0320). In casu waren geen redenen om de hoorplicht niet van toepassing te achten. De klachtencommissie besluit tot een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur (de hoorplicht). De beslissing die werd genomen zonder klager vooraf te horen, werd dan ook niet regelmatig genomen.
De klacht is bijgevolg gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing. Zij bepaalt dat klager, ten gevolge van deze vernietiging, opnieuw op de reservelijst moet worden geplaatst.