Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0104

Fondée KC - Beveren Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERMOEDEN ONSCHULD

De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 03/05/2026 van de directie van de gevangenis van Beveren.

Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 30 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en aan de tuchtrechtelijke inbreuk van de tweede categorie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.

Tijdens een celcontrole werd achter de ijskast de volgende voorwerpen gevonden: een langwerpig object met cylofaan en plakband rond en daarachter een vingertop van een blauwe handschoen, met een hevige geur van verdachte substantie, twee zwarte emmers, een chocopot waar een verdachte geur uit kwam, twee headsets waarvan 1 gemanipuleerd, 3 asbakken en een pakje tabak met restanten van verboden substantie.

De directie kon echter niet staven van wie de verboden substantie en de headsets waren. Dit is in strijd met het vermoeden van onschuld. De Nederlandstalige Beroepscommissie heeft in het kader van de vondst van verboden substanties geoordeeld dat wanneer celgenoten hun betrokkenheid bij de tuchtrechtelijke inbreuk ontkennen, de individuele verantwoordelijkheid van een gedetineerde kan worden vastgesteld op basis van de plaats en de hoeveelheid van de verboden substantie. In casu werd de verboden substantie achter de ijskast gevonden. De klachtencommissie meent dat op basis van de plaats de individuele verantwoordelijkheid van klager niet kan worden vastgesteld. Bovendien zou celgenoot [x] de feiten op zich hebben genomen.

De directie heeft op geen enkele manier aangetoond dat het klager was die zich schuldig maakte aan voormelde tuchtinbreuken. De klachtencommissie wenst nog te wijzen op de internationale consensus over het gegeven dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn. Er anders over oordelen kan leiden tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. De klachtencommissie is van oordeel dat het niet afdoende bewezen is dat klager de tuchtinbreuken pleegde. De klacht is derhalve gegrond.