KC04/26-0088
Fondée
Compensation
KC - Beveren
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - BEWIJS - VERBODEN SUBSTANTIES - TEGEMOETKOMING
In het voorliggend dossier heeft de directeur klager gesanctioneerd naar aanleiding van de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD, waarin de vondst van hasj en een glasscherf beschreven wordt. Klager en zijn advocaat brachten ter tuchtzitting een aantal elementen aan die door de directie onderzocht en beoordeeld moesten worden. Klager wees er ten eerste op dat hij zelf op het belletje duwde om de vondst van de hasj en het glasscherf tussen zijn spullen te melden. Hij vroeg of de camerabeelden bekeken konden worden om na te gaan of iemand dat ertussen heeft gestoken. De advocaat herhaalde deze vraag en vroeg om te onderzoeken of de spullen ergens onbewaakt hebben gestaan. Klager stelde dat hij lang tuchtvrij was, maar in the picture is gekomen nadat zijn broer betrapt werd met telefoons. Op 7 april 2026 werd klager vervolgens betrapt met een joint en nu heeft hij het gevoel dat ze hem wat meer in het oog houden.
De directie stelt in de motivering van de tuchtbeslissing dat ze het verhaal van klager ongeloofwaardig acht op basis van de volgende elementen:
- De beambten die de controle hebben uitgevoerd, verklaren allemaal dat de gecontroleerde goederen op geen enkel moment onbeheerd zijn achtergelaten. Hierdoor is het scenario dat een derde persoon de drugs ongemerkt tussen zijn spullen zou hebben gestoken, uitgesloten.
- Klager verblijft op een monocel. De aangetroffen drugs kunnen uitsluitend aan hem worden toegeschreven. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders toegang had tot zijn persoonlijke bezittingen of tot de celruimte.
- Het is niet de eerste keer dat klager in aanraking komt met drugs. Op 9 april werd hem een sanctie opgelegd voor het bezit van drugs. Deze herhaling versterkt de conclusie dat het aantreffen van drugs in zijn cel geen toevallige of onverklaarbare gebeurtenis is, maar past binnen een patroon van eerder vastgesteld gedrag.
De klachtencommissie merkt hierover het volgende op:
- In het voorliggend dossier betreft het niet “het aantreffen van drugs in zijn cel”. Het was klager zélf die het initiatief nam om de verboden substantie af te geven. Klager zou tuchtvrij zijn gebleven indien hij dit niet had gedaan. Zijn spullen werden immers net gecontroleerd en de verboden substantie werd daarbij niet gevonden. Klager had deze spullen al teruggekregen.
- Klager verblijft inderdaad op een monocel, maar de feiten deden zich voor ter gelegenheid van een verhuis van de ene monocel naar de andere monocel.
- De directie acht het verhaal dat een derde persoon de substantie in klager zijn spullen heeft gestoken ongeloofwaardig, gelet op het gegeven dat zijn spullen volgens het personeel niet onbewaakt werden achtergelaten. De klachtencommissie meent dat de directie daarmee niet uitlegt hoe de substantie volgens haar dan wél in de spullen van klager terechtkwam, gelet op het gegeven dat deze spullen net grondig door het personeel werden gecontroleerd.
De klachtencommissie vindt de gang van zaken in het voorliggend dossier opmerkelijk maar concludeert het volgende. Klager heeft zelf het initiatief genomen om de verboden substantie af te geven en zou tuchtvrij zijn gebleven indien hij dit niet had gedaan. Zijn spullen werden net gecontroleerd, en de verboden substantie werd daarbij niet gevonden. Indien de hasj van klager zou zijn geweest en hij zich er om eender welke reden van had willen ontdoen, waren er andere manieren (weggooien, doorspoelen) waarbij hij zichzelf niet aan sanctionering zou hebben blootgesteld.
De klachtencommissie meent dat er in het voorliggend dossier sprake is van twijfel. Indien de feiten of hun toerekening niet met voldoende zekerheid vaststaan, geldt dat gerede twijfel in het voordeel van klager spreekt.
Om deze reden is de klacht gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de bestreden beslissing niet ongedaan gemaakt kunnen worden (artikel 158, §4 Basiswet) , kent de klachtencommissie de volgende tegemoetkoming toe aan klager: twee extra fitnessmomenten, uit te voeren binnen de 60 dagen volgend op de betekening van deze uitspraak.
In het voorliggend dossier heeft de directeur klager gesanctioneerd naar aanleiding van de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD, waarin de vondst van hasj en een glasscherf beschreven wordt. Klager en zijn advocaat brachten ter tuchtzitting een aantal elementen aan die door de directie onderzocht en beoordeeld moesten worden. Klager wees er ten eerste op dat hij zelf op het belletje duwde om de vondst van de hasj en het glasscherf tussen zijn spullen te melden. Hij vroeg of de camerabeelden bekeken konden worden om na te gaan of iemand dat ertussen heeft gestoken. De advocaat herhaalde deze vraag en vroeg om te onderzoeken of de spullen ergens onbewaakt hebben gestaan. Klager stelde dat hij lang tuchtvrij was, maar in the picture is gekomen nadat zijn broer betrapt werd met telefoons. Op 7 april 2026 werd klager vervolgens betrapt met een joint en nu heeft hij het gevoel dat ze hem wat meer in het oog houden.
De directie stelt in de motivering van de tuchtbeslissing dat ze het verhaal van klager ongeloofwaardig acht op basis van de volgende elementen:
- De beambten die de controle hebben uitgevoerd, verklaren allemaal dat de gecontroleerde goederen op geen enkel moment onbeheerd zijn achtergelaten. Hierdoor is het scenario dat een derde persoon de drugs ongemerkt tussen zijn spullen zou hebben gestoken, uitgesloten.
- Klager verblijft op een monocel. De aangetroffen drugs kunnen uitsluitend aan hem worden toegeschreven. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders toegang had tot zijn persoonlijke bezittingen of tot de celruimte.
- Het is niet de eerste keer dat klager in aanraking komt met drugs. Op 9 april werd hem een sanctie opgelegd voor het bezit van drugs. Deze herhaling versterkt de conclusie dat het aantreffen van drugs in zijn cel geen toevallige of onverklaarbare gebeurtenis is, maar past binnen een patroon van eerder vastgesteld gedrag.
De klachtencommissie merkt hierover het volgende op:
- In het voorliggend dossier betreft het niet “het aantreffen van drugs in zijn cel”. Het was klager zélf die het initiatief nam om de verboden substantie af te geven. Klager zou tuchtvrij zijn gebleven indien hij dit niet had gedaan. Zijn spullen werden immers net gecontroleerd en de verboden substantie werd daarbij niet gevonden. Klager had deze spullen al teruggekregen.
- Klager verblijft inderdaad op een monocel, maar de feiten deden zich voor ter gelegenheid van een verhuis van de ene monocel naar de andere monocel.
- De directie acht het verhaal dat een derde persoon de substantie in klager zijn spullen heeft gestoken ongeloofwaardig, gelet op het gegeven dat zijn spullen volgens het personeel niet onbewaakt werden achtergelaten. De klachtencommissie meent dat de directie daarmee niet uitlegt hoe de substantie volgens haar dan wél in de spullen van klager terechtkwam, gelet op het gegeven dat deze spullen net grondig door het personeel werden gecontroleerd.
De klachtencommissie vindt de gang van zaken in het voorliggend dossier opmerkelijk maar concludeert het volgende. Klager heeft zelf het initiatief genomen om de verboden substantie af te geven en zou tuchtvrij zijn gebleven indien hij dit niet had gedaan. Zijn spullen werden net gecontroleerd, en de verboden substantie werd daarbij niet gevonden. Indien de hasj van klager zou zijn geweest en hij zich er om eender welke reden van had willen ontdoen, waren er andere manieren (weggooien, doorspoelen) waarbij hij zichzelf niet aan sanctionering zou hebben blootgesteld.
De klachtencommissie meent dat er in het voorliggend dossier sprake is van twijfel. Indien de feiten of hun toerekening niet met voldoende zekerheid vaststaan, geldt dat gerede twijfel in het voordeel van klager spreekt.
Om deze reden is de klacht gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de bestreden beslissing niet ongedaan gemaakt kunnen worden (artikel 158, §4 Basiswet) , kent de klachtencommissie de volgende tegemoetkoming toe aan klager: twee extra fitnessmomenten, uit te voeren binnen de 60 dagen volgend op de betekening van deze uitspraak.