KC04/26-0069
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Disciplinaire
Mesure d'ordre
TUCHT - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 26 maart 2026 en een afzetting van werk (ontslagbeslissing) van 26 maart 2026 van de directie van de gevangenis van Beveren.
Over de tuchtbeslissing: klager kreeg bij tuchtbeslissing van 26 maart 2026 een tuchtsanctie van 7 dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° van de Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° van de Basiswet).
Het rapport aan de directeur (RAD) vormt een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen (RvS 28 maart 2017, nr. 237.799).
Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die aan de waarachtigheid van het RAD doen twijfelen. De bewering dat de verboden substantie uit de broekzak van de medegedetineerde viel, zoals klager ook in zijn klacht volhoudt, vindt de klachtencommissie ongeloofwaardig, nu het RAD duidelijk beschrijft dat dit bij het bekijken van de inhoud van het pakje tabak werd gezien. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De klachtencommissie oordeelt ook dat de kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken (artikel 143 §2 van de Basiswet). In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 30 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° van de Basiswet). Klager kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over de afzetting van werk: de klachtencommissie meent dat een louter mondelinge kennisgeving onvoldoende waarborgen biedt om een gedetineerde kennis te laten nemen van de concrete motieven waarom hij niet langer kan werken op een arbeidspost die hem door de directeur werd toegewezen en dit terwijl hij op zich geschikt blijft voor de arbeidspost en de werkrelatie mogelijk blijft. Er kan niet worden verwacht dat een gedetineerde zelf nadrukkelijk een schriftelijke weergave moet vragen. De formele motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel brengen met zich mee dat er een schriftelijke weergave moet zijn van de beslissing om een gedetineerde niet langer te laten werken op een hem eerder toegewezen arbeidspost, ook in de situatie waarbij dat werk niet langer beschikbaar is door de afwezigheid van de gedetineerde op dat werk door bijvoorbeeld een tuchtsanctie. Het ontbreken van een schriftelijke weergave maakt de bestreden beslissing onwettig. De klacht is bijgevolg gegrond.
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 26 maart 2026 en een afzetting van werk (ontslagbeslissing) van 26 maart 2026 van de directie van de gevangenis van Beveren.
Over de tuchtbeslissing: klager kreeg bij tuchtbeslissing van 26 maart 2026 een tuchtsanctie van 7 dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° van de Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° van de Basiswet).
Het rapport aan de directeur (RAD) vormt een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen (RvS 28 maart 2017, nr. 237.799).
Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die aan de waarachtigheid van het RAD doen twijfelen. De bewering dat de verboden substantie uit de broekzak van de medegedetineerde viel, zoals klager ook in zijn klacht volhoudt, vindt de klachtencommissie ongeloofwaardig, nu het RAD duidelijk beschrijft dat dit bij het bekijken van de inhoud van het pakje tabak werd gezien. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De klachtencommissie oordeelt ook dat de kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken (artikel 143 §2 van de Basiswet). In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 30 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° van de Basiswet). Klager kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over de afzetting van werk: de klachtencommissie meent dat een louter mondelinge kennisgeving onvoldoende waarborgen biedt om een gedetineerde kennis te laten nemen van de concrete motieven waarom hij niet langer kan werken op een arbeidspost die hem door de directeur werd toegewezen en dit terwijl hij op zich geschikt blijft voor de arbeidspost en de werkrelatie mogelijk blijft. Er kan niet worden verwacht dat een gedetineerde zelf nadrukkelijk een schriftelijke weergave moet vragen. De formele motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel brengen met zich mee dat er een schriftelijke weergave moet zijn van de beslissing om een gedetineerde niet langer te laten werken op een hem eerder toegewezen arbeidspost, ook in de situatie waarbij dat werk niet langer beschikbaar is door de afwezigheid van de gedetineerde op dat werk door bijvoorbeeld een tuchtsanctie. Het ontbreken van een schriftelijke weergave maakt de bestreden beslissing onwettig. De klacht is bijgevolg gegrond.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0322