Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0056

Non fondée Fondée Irrecevable KC - Beveren Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT

De klachten gaan over de voorlopige maatregel van 02/03/2026, een tuchtbeslissing van 09/03/2026 en een tuchtbeslissing van 17/03/2026.

Over de voorlopige maatregel: klager heeft een klacht ingediend op 13/03/2026 tegen een voorlopige maatregel die aanvang nam op 02/03/2026. Op basis van de schriftelijke voorlopige maatregel stelt de klachtencommissie vast dat de directeur deze beslissing nam op 03/03/2026 en dat klager deze op diezelfde dag geweigerd heeft te ondertekenen. Op de beslissing staat duidelijk vermeld dat klager tegen de beslissing klacht kon indienen bij de klachtencommissie binnen een termijn van zeven dagen. De klacht werd bijgevolg laattijdig ingediend.

De klachtencommissie meent dat klager in zijn klacht of op de zitting geen redenen heeft vermeld om aan te nemen dat hij zijn klacht, rekening houdend met alle omstandigheden, zo spoedig mogelijk heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden. Deze klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Over de tuchtbeslissing van 09/03/2026: klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 21 dagen ATV. De directie kon binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren. De motivering voldoet volgens de klachtencommissie aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet.

De feiten vormen tuchtrechtelijke inbreuken van de eerste en tweede categorie. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie kan maximaal 30 dagen ATV worden opgelegd zodat de tuchtsanctie wettig was. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk of onbillijke straf van 21 dagen ATV heeft opgelegd. Om deze redenen is de klacht ongegrond.

Over de tuchtbeslissing van 17/03/2026: de klachtencommissie merkt op dat klager in totaal 30 dagen onder ATV heeft gezeten (van 22/02/2026 t.e.m. 08/03/2026 n.a.v. de tuchtbeslissing van 24/02/2026 en vervolgens van 02/03/2026 t.e.m. 23/03/2026 n.a.v. de tuchtbeslissing van 09/03/2026).

Nadien heeft klager niet mogen deelnemen aan de gemeenschappelijke activiteiten van 23/03/2026 t.e.m. 27/03/2026 n.a.v. de tuchtbeslissing van 17/03/2026. De klachtencommissie meent dat dit quasi neerkomt op een ATV (hij kon zo ook niet deelnemen aan de wandeling). De directie heeft ook in haar verweer en op de zitting aangegeven dat klager te lang onder ATV heeft gezeten.

De klachtencommissie past zo naar analogie artikel 142 van de Basiswet toe en meent dat de tuchtbeslissing van 17/03/2026 onwettig was, minstens was de tuchtsanctie onredelijk en onbillijk. De klacht is bijgevolg gegrond.