KC04/26-0014
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VM - TUCHT
De eerste klacht gaat over en voorlopige maatregel. De klachtencommissie stelt vast dat uit het verweer van de directie blijkt dat de voorlopige maatregel niet meer terug te vinden is in het dossier. Hoewel uit de overige stukken van de tuchtprocedure blijkt dat er op 08/01/2026 een voorlopige maatregel werd genomen, heeft de klachtencommissie geen kennis kunnen nemen van deze schriftelijke beslissing. De klachtencommissie kan bijgevolg niet nagaan of de procedurele en inhoudelijke vereisten correct werden nageleefd. Zo kan zij de motivering van voorlopige maatregel niet nagaan. Bij gebreke aan stukken is de klachtencommissie van oordeel dat de klacht gegrond is. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel.
De tweede klacht gaat over een tuchtbeslissing. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en uitdrukkelijk stelt dat klager een kopstoot heeft gegeven aan zijn medegedetineerde. Hoewel klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting benadrukt dat het slechts om een schijnbeweging van een kopstoot ging en hij zijn medegedetineerde niet geraakt heeft, maar enkel wou plagen, is de klachtencommissie van oordeel dat het RAD voldoende duidelijk de feiten weergeeft. De klachtencommissie hecht geen geloofwaardigheid aan de stelling van klager dat het enkel om een schijnbeweging zou gaan. De klachtencommissie is van oordeel dat in dat geval de omstaanders immers niet tussenbeide zouden moeten komen. Ook het feit dat de medegedetineerde na de zogenaamde schijnbeweging van de kopstoot toch opnieuw de confrontatie opzoekt met klager, is voor de klachtencommissie een voldoende duidelijk element op basis waarvan de directie de tuchtrechtelijke inbreuk bewezen kon verklaren. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De eerste klacht gaat over en voorlopige maatregel. De klachtencommissie stelt vast dat uit het verweer van de directie blijkt dat de voorlopige maatregel niet meer terug te vinden is in het dossier. Hoewel uit de overige stukken van de tuchtprocedure blijkt dat er op 08/01/2026 een voorlopige maatregel werd genomen, heeft de klachtencommissie geen kennis kunnen nemen van deze schriftelijke beslissing. De klachtencommissie kan bijgevolg niet nagaan of de procedurele en inhoudelijke vereisten correct werden nageleefd. Zo kan zij de motivering van voorlopige maatregel niet nagaan. Bij gebreke aan stukken is de klachtencommissie van oordeel dat de klacht gegrond is. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel.
De tweede klacht gaat over een tuchtbeslissing. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en uitdrukkelijk stelt dat klager een kopstoot heeft gegeven aan zijn medegedetineerde. Hoewel klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting benadrukt dat het slechts om een schijnbeweging van een kopstoot ging en hij zijn medegedetineerde niet geraakt heeft, maar enkel wou plagen, is de klachtencommissie van oordeel dat het RAD voldoende duidelijk de feiten weergeeft. De klachtencommissie hecht geen geloofwaardigheid aan de stelling van klager dat het enkel om een schijnbeweging zou gaan. De klachtencommissie is van oordeel dat in dat geval de omstaanders immers niet tussenbeide zouden moeten komen. Ook het feit dat de medegedetineerde na de zogenaamde schijnbeweging van de kopstoot toch opnieuw de confrontatie opzoekt met klager, is voor de klachtencommissie een voldoende duidelijk element op basis waarvan de directie de tuchtrechtelijke inbreuk bewezen kon verklaren. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.