Ga verder naar de inhoud

KC04/25-0216

Non fondée KC - Beveren Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - TERMIJN

Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager verplicht te laten verblijven in de hem toegewezen verblijfsruimte op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de interne veiligheid werd aangetast. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting erkent klager dat de gsm van hem is. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg de maximumsanctie van 30 dagen ATV. De directie hield rekening met het gegeven dat klager eerder al gesanctioneerd werd voor het bezit van een gsm. De klachtencommissie acht de maximumsanctie wettelijk en redelijk. De tuchtsanctie werd op 30 oktober 2025 om 14u50 genomen en pas op 3 november 2025 om 14u10 aan klager betekend. De directie spreekt van een betreurenswaardige onzorgvuldigheid. De klachtencommissie herinnert eraan dat de termijn van artikel 144, §7 Basiswet slechts een termijn van orde betreft. De wet voorziet geen sanctie voor het overschrijden ervan. De laattijdige betekening brengt op zichzelf dus niet de nietigheid van de tuchtbeslissing met zich mee. Uit niets blijkt dat klager enig nadeel heeft ondervonden door het overschrijden van de termijn. De klachtencommissie ziet dan ook geen redenen om de tuchtbeslissing onwettig te verklaren louter op basis van het overschrijden van de termijn van artikel 144, §7 Basiswet. De klacht is ongegrond.