TUCHT - WANDELING
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing omdat hij vindt dat hij enkel opkwam voor zijn basisrecht om 1 uur te kunnen wandelen. Er wordt beweerd dat klager gedreigd heeft, maar dat zou volgens klager niet kloppen. Hij zou enkel gezegd hebben dat hij naar de wandeling ging en daar recht op had. Hij begrijpt niet waarom ze de wetten niet toepassen omwille van het feit dat hij eenmalig zijn badge niet vindt.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Het verloop van het gebeuren werd uitvoerig beschreven. Het RAD werd daarnaast door twee getuigen van het personeel ondertekend. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager niet ontkent dat hij zijn badge niet kon vinden en daarop hevig heeft gereageerd. De advocaat van klager het volgende verklaart: “we weten allemaal dat [klager] soms een buitensporige reactie kan geven als het hem tegengaat”.
Hoewel klager inderdaad overeenkomstig artikel 79 van de Basiswet en overeenkomstig het huishoudelijk regelement van de gevangenis van Beveren recht heeft op één dagelijkse wandeling of een andere recreatieve activiteit van minstens één uur in de buitenlucht, is de klachtencommissie van oordeel dat het niet onredelijk of onbillijk was om van klager te vragen om eerst zijn legitimatiebadge aan te doen alvorens de wandeling te betreden. Dit wordt immers voorgeschreven door het huishoudelijk reglement.
De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. Klager reageerde immers dreigend ten aanzien van het personeel en volgde de bevelen van het personeel niet op door toch te proberen om mee te gaan naar de wandeling, zoals blijkt uit het RAD.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing omdat hij vindt dat hij enkel opkwam voor zijn basisrecht om 1 uur te kunnen wandelen. Er wordt beweerd dat klager gedreigd heeft, maar dat zou volgens klager niet kloppen. Hij zou enkel gezegd hebben dat hij naar de wandeling ging en daar recht op had. Hij begrijpt niet waarom ze de wetten niet toepassen omwille van het feit dat hij eenmalig zijn badge niet vindt.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Het verloop van het gebeuren werd uitvoerig beschreven. Het RAD werd daarnaast door twee getuigen van het personeel ondertekend. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager niet ontkent dat hij zijn badge niet kon vinden en daarop hevig heeft gereageerd. De advocaat van klager het volgende verklaart: “we weten allemaal dat [klager] soms een buitensporige reactie kan geven als het hem tegengaat”.
Hoewel klager inderdaad overeenkomstig artikel 79 van de Basiswet en overeenkomstig het huishoudelijk regelement van de gevangenis van Beveren recht heeft op één dagelijkse wandeling of een andere recreatieve activiteit van minstens één uur in de buitenlucht, is de klachtencommissie van oordeel dat het niet onredelijk of onbillijk was om van klager te vragen om eerst zijn legitimatiebadge aan te doen alvorens de wandeling te betreden. Dit wordt immers voorgeschreven door het huishoudelijk reglement.
De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. Klager reageerde immers dreigend ten aanzien van het personeel en volgde de bevelen van het personeel niet op door toch te proberen om mee te gaan naar de wandeling, zoals blijkt uit het RAD.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.