Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0211

Non fondée KC - Beveren Commission des plaintes Autre décision directeur Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - ARBEID - ONTSLAG

De eerste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis. De tweede klacht is gericht tegen een beslissing tot afzetting van werk van de directie van de gevangenis.

Wat betreft de eerste klacht (de tuchtbeslissing):
Klager kreeg bij tuchtbeslissing een tuchtsanctie van tien dagen ATV voor ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ (een inbreuk van de eerste categorie). In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in twee RAD van 16 en 18 juli 2024. Klager wordt gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 19 juli 2024, met bijstand van zijn advocaat. Klager ontkent dat hij heeft gesnoven, en zegt dat hij zich ervan distantieert als andere mensen dit doen. Op het moment dat hij werd ‘betrapt’, had klager een bloedneus. Met betrekking tot het tweede rapport, merkt klager op dat niet enkel zijn kledij in de droogkast aanwezig was. Volgens zijn advocaat is er onvoldoende bewijs om de vondst van de verboden substantie aan klager toe te schrijven. Gelet op de duidelijke vaststellingen uit de RAD en het feit dat klager aldus de klachtencommissie geen tegenindicaties aanvoert die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.

De directie kwalificeerde de feiten als ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ (een inbreuk van de eerste categorie).
De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

In geval van een inbreuk van de eerste categorie, kan er voor een maximumduur van dertig dagende tuchtsanctie worden opgelegd van ATV. Klager kreeg tien dagen ATV opgelegd.
De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. Om deze redenen is de eerste klacht niet gegrond. De tuchtbeslissing van 19 juli 2024, blijft bestaan.

Wat betreft de tweede klacht (de afzetting van werk):
Uit het verweer van de directie blijkt dat er geen ordemaatregel werd genomen in verband met de afzetting van werk. Volgens de directie is het verlies van werk een louter gevolg van klagers
afwezigheid door de tuchtsanctie. De klacht is volgens haar aldus kennelijk niet-ontvankelijk. Hoewel er volgens de directie geen sprake is van een beslissing door of namens de directeur, meent
de klachtencommissie dat er weldegelijk een beslissing werd genomen door de directeur om klager af te zetten van zijn werk. Voor het overige werd de klacht voldoende duidelijk uiteengezet en tijdig en op de vereiste wijze ingediend voor de bevoegde klachtencommissie. De klacht is ontvankelijk.

Uit de verklaringen van klager ter zitting van de klachtencommissie, blijkt dat hij enkele dagen na de tuchtbeslissing via het personeel te horen kreeg dat hij niet zou mogen terugkeren naar zijn werk en
dit doordat hem werd gevraagd zijn werkkledij af te geven. De directie legt uit dat het niet om een eigenlijk ontslag ging maar om een louter gevolg van zijn afwezigheid tijdens zijn lopende sanctie
ATV waardoor, om de continuïteit van het werk binnen de inrichting te garanderen, een vervanger moest worden gezocht.
Het lijkt de klachtencommissie aannemelijk dat in deze specifieke omstandigheden de klager voldoende mondeling werd geïnformeerd omtrent de beslissing én de motieven hiervan kende. De
klachtencommissie herhaalt wel haar vroegere aanbeveling aan de directie om in de toekomst een schriftelijke neerslag te voorzien van deze beslissingen.Om de voornoemde reden, stelt de klachtencommissie vast dat er geen schending van de motiveringsplicht is (zoals gewaarborgd door artikel 8 van de Basiswet), en evenmin van het cumulverbod opgelegd door artikel 143, §3 van de Basiswet. Zij gaat er dan wel vanuit dat de klager onmiddellijk terug op de wachtlijst van de keuken werd geplaatst.

Immers, indien de directie van oordeel zou zijn dat de klager niet langer geschikt is om dit specifiek werk uit te voeren zal de directie zulks met een passend gemotiveerde ordemaatregel dienen te
beslissen teneinde de klager toe te laten na te gaan of er hierdoor al dan niet sprake is van een tweede sanctionering voor een zelfde vergrijp. De tweede klacht is dan ook ongegrond.