TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - NON BIS IN IDEM - INBREUK HUISHOUDELIJK REGLEMENT
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing.
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 15 april 2024 een tuchtsanctie van het verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband : “dertig dagen individuele wandeling” voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van de eerste categorie) en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie).
Klager voert in essentie aan dat hij twee keer is gestraft voor dezelfde feiten. De klachtencommissie merkt op dat klager bij tuchtbeslissing van 8 april 2024 werd gesanctioneerd met dertig dagen ATV voor het bezit van of de handel is, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties naar aanleiding van de vondst van verboden substanties op cel. Op het moment van de celcontrole en de vondst in voorliggend dossier, zat klager (alsook zijn celgenoot) de sanctie uit.
Artikel 126 van de Basiswet stelt dat een gedetineerde slechts eenmaal tuchtrechtelijk mag worden gestraft voor één en dezelfde tuchtrechtelijke inbreuk. Dit is het non bis in idem-principe. Er is sprake van een schending van dit principe bij een dubbele bestraffing van feiten die substantieel dezelfde zijn. De klachtencommissie moet dus nagaan of de feiten die aan de basis liggen van de inbreuk substantieel dezelfde zijn.
In voorliggend dossier kreeg klager op 15 april 2024 een bijzondere sanctie van dertig dagen individuele wandeling voor het bezit van of de handel is, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties naar aanleiding van de vondst van verboden substanties op cel. Op het moment van de celcontrole in voorliggend dossier, zat klager (alsook zijn celgenoot) deze sanctie uit.
De klachtencommissie meent dat er onvoldoende overtuigende elementen zijn waaruit blijkt dat het gaat om nieuwe verboden substanties en dus nieuwe feiten dan degenen waarvoor klager eerder werd gesanctioneerd met dertig dagen ATV. Het feit dat zowel klager als zijn celgenoot een sanctie van ATV uitzat op het moment dat de verboden substanties waarvan sprake is in dit dossier werden aangetroffen, betekent voor de klachtencommissie dat klager niet zelf, noch via zijn celgenoot contacten kon hebben met de buitenwereld en dat er zich geen kans meer kon voordoen om aan de drugs te komen.
Gelet op het gebrek aan overtuigende elementen dat het gaat om andere feiten in de zin van artikel 126 van de Basiswet, meent de klachtencommissie dat er een schending is van het non bis in idem-principe.
Klager werd ook gesanctioneerd voor het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie) .
Gelet op de vaststellingen uit het RAD van 11 april 2024 en klagers verklaringen waarbij hij toegeeft dat hij de medicatie de zijne is en deze heeft opgespaard, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De directie legt aan klager de bijzondere tuchtsanctie op van dertig dagen individuele wandeling. Voor een bijzondere tuchtsanctie wordt vereist dat er een verband bestaat tussen de sanctie en de aard of omstandigheden van de inbreuk.
De klachtencommissie merkt echter op dat de directie in haar tuchtbeslissing enkel motiveert wat het verband is tussen de aard of omstandigheden van de inbreuk van de eerste categorie (i.v.m. de verboden substanties) en de bijzondere tuchtsanctie. Zij laat dit na wat betreft de tweede inbreuk.
Om deze redenen is de klacht gegrond.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing.
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 15 april 2024 een tuchtsanctie van het verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband : “dertig dagen individuele wandeling” voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van de eerste categorie) en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie).
Klager voert in essentie aan dat hij twee keer is gestraft voor dezelfde feiten. De klachtencommissie merkt op dat klager bij tuchtbeslissing van 8 april 2024 werd gesanctioneerd met dertig dagen ATV voor het bezit van of de handel is, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties naar aanleiding van de vondst van verboden substanties op cel. Op het moment van de celcontrole en de vondst in voorliggend dossier, zat klager (alsook zijn celgenoot) de sanctie uit.
Artikel 126 van de Basiswet stelt dat een gedetineerde slechts eenmaal tuchtrechtelijk mag worden gestraft voor één en dezelfde tuchtrechtelijke inbreuk. Dit is het non bis in idem-principe. Er is sprake van een schending van dit principe bij een dubbele bestraffing van feiten die substantieel dezelfde zijn. De klachtencommissie moet dus nagaan of de feiten die aan de basis liggen van de inbreuk substantieel dezelfde zijn.
In voorliggend dossier kreeg klager op 15 april 2024 een bijzondere sanctie van dertig dagen individuele wandeling voor het bezit van of de handel is, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties naar aanleiding van de vondst van verboden substanties op cel. Op het moment van de celcontrole in voorliggend dossier, zat klager (alsook zijn celgenoot) deze sanctie uit.
De klachtencommissie meent dat er onvoldoende overtuigende elementen zijn waaruit blijkt dat het gaat om nieuwe verboden substanties en dus nieuwe feiten dan degenen waarvoor klager eerder werd gesanctioneerd met dertig dagen ATV. Het feit dat zowel klager als zijn celgenoot een sanctie van ATV uitzat op het moment dat de verboden substanties waarvan sprake is in dit dossier werden aangetroffen, betekent voor de klachtencommissie dat klager niet zelf, noch via zijn celgenoot contacten kon hebben met de buitenwereld en dat er zich geen kans meer kon voordoen om aan de drugs te komen.
Gelet op het gebrek aan overtuigende elementen dat het gaat om andere feiten in de zin van artikel 126 van de Basiswet, meent de klachtencommissie dat er een schending is van het non bis in idem-principe.
Klager werd ook gesanctioneerd voor het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie) .
Gelet op de vaststellingen uit het RAD van 11 april 2024 en klagers verklaringen waarbij hij toegeeft dat hij de medicatie de zijne is en deze heeft opgespaard, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De directie legt aan klager de bijzondere tuchtsanctie op van dertig dagen individuele wandeling. Voor een bijzondere tuchtsanctie wordt vereist dat er een verband bestaat tussen de sanctie en de aard of omstandigheden van de inbreuk.
De klachtencommissie merkt echter op dat de directie in haar tuchtbeslissing enkel motiveert wat het verband is tussen de aard of omstandigheden van de inbreuk van de eerste categorie (i.v.m. de verboden substanties) en de bijzondere tuchtsanctie. Zij laat dit na wat betreft de tweede inbreuk.
Om deze redenen is de klacht gegrond.