KC04/24-0102
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
TUCHT - ARBEID - VERBODEN SUBSTANTIES - VERMOEDEN VAN ONSCHULD
De klacht is tweeledig en betreft:
- een tuchtbeslissing;
- een beslissing tot afzetting van werk.
De eerste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing.
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 25 maart 2024 een tuchtsanctie van vijf dagen ATV voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van de eerste categorie ) en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie ).
De klachtencommissie stelt vast dat de directeur klager schuldig acht aan het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, gesteund op de geurwaarneming van twee personeelsleden.
De klachtencommissie is van oordeel dat een gedetineerde enkel gesanctioneerd kan worden voor het bezit van verboden substanties indien de geurwaarneming voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd werd en het vermoeden van bezit daarenboven werd ondersteund door bijkomende belastende elementen.
De klachtencommissie meent dat het tuchtdossier geen bijkomende belastende elementen bevat die de geurwaarneming individualiseren en objectiveren. De directie heeft het nagelaten om verder onderzoek te voeren naar aanleiding van de geurwaarneming, zoals het betreden van de cel of het uitvoeren van een celcontrole. Volgens klager werd zelfs zijn winket niet geopend toen de geur werd waargenomen, wat tijdens de zitting niet werd ontkend door de directeur.
De klachtencommissie besluit dat de directie, gelet op het tuchtrechtelijk vermoeden van onschuld, niet in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen achten van het bezit van of de handel in de door de wet verboden substanties.
De eerste klacht is gegrond.
De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing van 25 maart 2024 voor wat betreft de eerste tuchtinbreuk (het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties).
Aangezien de tuchtinbreuk van de eerste categorie wordt geschrapt, oordeelt de klachtencommissie dat de hoogte van de tuchtsanctie dient te worden gematigd naar één dag ATV.
De klachtencommissie bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van vijf dagen ATV voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen
wordt vervangen door
- de tuchtsanctie van één dag ATV voor het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
De tweede klacht is gericht tegen de beslissing tot afzetting van werk.
De klachtencommissie vernietigde de bestreden tuchtbeslissing waarbij klager de tuchtsanctie van vijf dagen ATV werd opgelegd gedeeltelijk en herleidde de sanctie naar één dag ATV.
De klachtencommissie meent dus dat klager vier dagen onterecht niet beschikbaar was al diender. Hieruit volgt dat hij slechts één dag onbeschikbaar zou zijn geweest. De redenering van de directie dat het werk van klager niet meer beschikbaar was na afloop van de sanctie omdat er geen vijf dagen zonder diender kan worden gewerkt, komt dan ook te vervallen.
Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en draagt aan de directie op om klager bovenaan de werkerslijst te plaatsen.
De klacht is tweeledig en betreft:
- een tuchtbeslissing;
- een beslissing tot afzetting van werk.
De eerste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing.
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 25 maart 2024 een tuchtsanctie van vijf dagen ATV voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van de eerste categorie ) en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie ).
De klachtencommissie stelt vast dat de directeur klager schuldig acht aan het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, gesteund op de geurwaarneming van twee personeelsleden.
De klachtencommissie is van oordeel dat een gedetineerde enkel gesanctioneerd kan worden voor het bezit van verboden substanties indien de geurwaarneming voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd werd en het vermoeden van bezit daarenboven werd ondersteund door bijkomende belastende elementen.
De klachtencommissie meent dat het tuchtdossier geen bijkomende belastende elementen bevat die de geurwaarneming individualiseren en objectiveren. De directie heeft het nagelaten om verder onderzoek te voeren naar aanleiding van de geurwaarneming, zoals het betreden van de cel of het uitvoeren van een celcontrole. Volgens klager werd zelfs zijn winket niet geopend toen de geur werd waargenomen, wat tijdens de zitting niet werd ontkend door de directeur.
De klachtencommissie besluit dat de directie, gelet op het tuchtrechtelijk vermoeden van onschuld, niet in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen achten van het bezit van of de handel in de door de wet verboden substanties.
De eerste klacht is gegrond.
De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing van 25 maart 2024 voor wat betreft de eerste tuchtinbreuk (het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties).
Aangezien de tuchtinbreuk van de eerste categorie wordt geschrapt, oordeelt de klachtencommissie dat de hoogte van de tuchtsanctie dient te worden gematigd naar één dag ATV.
De klachtencommissie bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van vijf dagen ATV voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen
wordt vervangen door
- de tuchtsanctie van één dag ATV voor het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
De tweede klacht is gericht tegen de beslissing tot afzetting van werk.
De klachtencommissie vernietigde de bestreden tuchtbeslissing waarbij klager de tuchtsanctie van vijf dagen ATV werd opgelegd gedeeltelijk en herleidde de sanctie naar één dag ATV.
De klachtencommissie meent dus dat klager vier dagen onterecht niet beschikbaar was al diender. Hieruit volgt dat hij slechts één dag onbeschikbaar zou zijn geweest. De redenering van de directie dat het werk van klager niet meer beschikbaar was na afloop van de sanctie omdat er geen vijf dagen zonder diender kan worden gewerkt, komt dan ook te vervallen.
Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en draagt aan de directie op om klager bovenaan de werkerslijst te plaatsen.