Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0078

Non fondée Fondée KC - Beveren Commission des plaintes Autre décision directeur Mesure provisoire Disciplinaire Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - CAMERABEELDEN - PERSONEEL - PROPORTIONALITEIT - TEGEMOETKOMING

De klacht is vierledig:
- fouillering op het lichaam;
- voorlopige maatregel;
- tuchtbeslissing;
- het niet-bekijken van de camerabeelden

De eerste klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille).
Klager heeft in zijn klachtenformulier aangeduid dat hij klacht indient tegen een naaktfouille. Op de zitting van de klachtencommissie van 22 april 2024 heeft hij bovendien benadrukt dat hij zich, ter gelegenheid van zijn plaatsing in de beveiligde cel, volledig moest uitkleden. Een situatie waarbij een gedetineerde wordt gedwongen om zich om te kleden in het bijzijn van beambten, is aldus een naaktfouille in de zin van de Basiswet. Deze moet het onderwerp zijn van een geïndividualiseerde beslissing van de directeur. Er is aldus sprake van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 van de Basiswet.
De klachtencommissie meent dat uit de ontvankelijkheid van de klacht – het ontbreken van een geïndividualiseerde beslissing van de directie – meteen de gegrondheid van de klacht voortvloeit. Ze besluit daarom tot de onwettigheid van de naaktfouille.
De klacht is gegrond.
Gelet op het feit dat de gevolgen van de vernietigde beslissing in casu niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, bepaalt de klachtencommissie dat aan klager de volgende tegemoetkoming wordt toegekend: 15 euro belkrediet.

De tweede klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel.
Op 23 februari 2024 werd klager bij wijze van voorlopige maatregel geplaatst op een beveiligde cel omwille van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De klachtencommissie meent dat de directie kon besluiten dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die het opleggen van de plaatsing op een beveiligde cel verantwoordde. Echter meent de klachtencommissie ook dat wanneer er sprake is van een acute situatie die de interne veiligheid in het gedrang brengt, de directie de voorlopige maatregel onmiddellijk moet nemen om te reageren op deze situatie, en niet een aantal uren daarna (wanneer de acute situatie voorbij is).
In casu werd klager, zo volgt uit zijn klachtenformulier en verklaringen op de zitting, pas enkele uren na de feiten uit zijn cel gehaald. De directie kon dit ter zitting niet bevestigen noch ontkennen. De klachtencommissie meent dat er enkele uren na de gebeurtenissen geen sprake meer kon zijn geweest van een gevaar voor de interne veiligheid die de voorlopige maatregel van plaatsing in de beveiligde cel verantwoordde en dat de voorlopige maatregel aldus werd genomen met het oog op onmiddellijke bestraffing. Dit wordt expliciet door de Basiswet verboden.
Om deze reden is de tweede klacht gegrond.

De derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing.
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 26 februari 2024 een tuchtsanctie van eenentwintig dagen ATV (waarvan zeven dagen voorwaardelijk gedurende twee maanden) voor voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van de eerste categorie). Gelet op de vaststellingen uit het RAD, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van de eerste categorie ).
De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg eenentwintig dagen ATV opgelegd (waarvan zeven dagen voorwaardelijk gedurende twee maanden). De sanctie is dus wettelijk.
De klachtencommissie is echter van oordeel dat, rekening houdend het gunstige tuchtregister van klager, de tuchtsanctie te zwaar en onredelijk is.
Om deze reden is de derde klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 26 februari 2024 in de mate waarin de tuchtsanctie op méér dan zeven dagen ATV werd bepaald. De klachtencommissie draagt de directie op om het tuchtregister van klager als zodanig aan te passen.

De vierde klacht is gericht tegen een andere beslissing (in naam) van de directie van de gevangenis van Beveren, namelijk het niet bekijken van de camerabeelden.
Een klacht tegen een beslissing van de directeur om al dan niet camerabeelden te bekijken in het kader van een tuchtprocedure behoort tot het toepassingsgebied van het klachtenrecht.
Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat verzocht heeft om de camerabeelden te bekijken. De directie reageerde hierop dat de zitting geschorst zou worden en de beelden zouden worden opgezocht, en dat dit wel wat werk voor hen vergde. Klager antwoordde hierop “Laat dan maar, als het zo veel werk is” .
In zijn klacht komt klager hierop terug, en zegt hij dat hij hoopte dat zijn reactie een positief effect zou hebben op de beslissing van de directie.
De klachtencommissie meent dat klager door eigen toedoen niet naar de camerabeelden heeft kunnen kijken. Hij deed zelf afstand van zijn vraag (waarop de directie oorspronkelijk in ging). Hierdoor kan de directie ook niet verweten worden dat ze de camerabeelden niet heeft bijgehouden.
Om deze reden is de vierde klacht niet gegrond.