Ga verder naar de inhoud

KC04/23-0300

Non fondée KC - Beveren Commission des plaintes Mesure de sécurité particulière Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - IBVR

De klachten zijn gericht tegen de beslissingen tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM) en een ordemaatregel van de directie van de gevangenis van Beveren.

Als gevolg van de beslissing van de beroepscommissie, waarbij de IBVR-hernieuwingsbeslissing werd vernietigd op procedurele gronden, zag de directie zich genoodzaakt om tegemoet te komen aan een acuut veiligheidsprobleem, namelijk dat klager op het gewone regime zou worden geplaatst. De directie reageerde hierop door het opleggen aan klager van twee maatregelen, met name een BVM en een ordemaatregel. Op deze manier heeft de directie de periode willen overbruggen tussen de vernietiging van de (oude) IBVR-beslissing en het moment dat een nieuwe IBVR-beslissing werd opgelegd. Een IBVR is onderworpen aan een aantal procedurele vereisten, waaronder een medisch advies. Hierdoor was de directie niet in de mogelijkheid om de dag van vernietiging van de oude IBVR-beslissing, meteen een nieuwe IBVR-beslissing te nemen.

De klachtencommissie merkt op dat geen enkele bepaling in de Basiswet de directie verhindert om beide maatregelen – een ordemaatregel en een BVM – tezamen op te leggen. De klachtencommissie merkt bovendien op dat de maatregelen complementair zijn: in casu heeft de BVM betrekking op de veiligheid binnen de gevangenis (uitsluiting van deelname aan bepaalde activiteiten, observatie en verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte), terwijl de ordemaatregel betrekking heeft op de veiligheid buiten de gevangenis (briefwisseling, bezoek en telefonie).
De klachtencommissie acht bovendien dat de directie op een redelijke manier gereageerd heeft op het acute veiligheidsprobleem, zoals dit ontstond door de vernietiging van de oude IBVR-beslissing. De beroepscommissie beoordeelde in het kader van eerdere IBVR-beslissingen de motivering van de directeur-generaal, en stelde, na inzage van de vertrouwelijke informatie van de veiligheidsdiensten, dat deze voldoende elementen bevatte die wezen op een actuele veiligheidsdreiging.
Om deze redenen zijn de klachten niet gegrond.