KC04/23-0295
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - RECHT OP TEGENSPRAAK - RECHTEN VAN VERDEDIGING - BIJSTAND ADVOCAAT
De eerste klacht is gericht tegen de afwezigheid van een behoorlijke oproeping van klager voor de tuchtrechtelijke hoorzitting. In het eerste deel van zijn klacht stelt klager dat hij geen kennisname heeft gehad van de tucht. Tijdens de zitting van de klachtencommissie verduidelijkt de advocaat van klager dat, na het rapport over de beambte (eerste RAD), de tucht erbij is gekomen over het spuwen op de grond (tweede RAD) en dat klager hiervan nooit kennis heeft gekregen. Hij heeft zich dus ook niet kunnen verdedigen tegen deze feiten; hij had het pas achteraf gezien wanneer hij de sanctie had gekregen.
Klager werd gesanctioneerd met veertien dagen ATV wegens een drieledige inbreuk: 1) de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van de eerste categorie); 2) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (een inbreuk van de tweede categorie); 3) het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen (een inbreuk van de tweede categorie).
In de beide mededelingen inzake de tuchtprocedure van klager wordt enkel verwezen naar het eerste RAD, daterend van 20 november 2023. De eerste mededeling dateert van 21 november 2023, de tweede van 24 november 2023.
De klachtencommissie stelt vast dat het tweede RAD dateert van 26 november 2023 en dat de directeur kennis heeft genomen van dit RADD op diezelfde dag. De tuchtrechtelijke hoorzitting vond plaats op 27 november 2023.
Hoewel, zo volgt uit de tuchtbeslissing, klager op de tuchtzitting zou gehoord worden over de feiten uit het eerste en het tweede RAD, blijkt uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting niet dat klager op voorhand in kennis werd gesteld van deze tenlastelegging en dat hij wist dat hij zich hiertegen op een tuchtzitting zou moeten verdedigen. Dat op het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting wordt genoteerd dat zowel het eerste als het tweede RADD worden behandeld, doet hieraan niets af. De feiten uit het tweede RAD werden uiteindelijk ook in rekening gebracht bij het opstellen van de tuchtbeslissing.
De directie heeft, doordat zij noch klager, noch zijn advocaat uiteindelijk heeft kunnen horen op de tuchtrechtelijke hoorzitting, klager niet kunnen inlichten over de tenlastelegging uit het tweede RAD. De directie had de feiten uit het RAD van 26 november 2023 aldus niet mogen betrekken in dezelfde tuchtprocedure als deze die werd gevoerd voor het eerste RAD. Haar argument in verband met de nakende verstrijking van de termijn van zeven dagen (cf. verweer) dat geldt voor het eerste RAD, is niet van toepassing op het tweede rapport: aangezien dit pas werd opgesteld op 26 november 2023, had de directie nog de mogelijkheid om een nieuwe mededeling te doen aan klager en een nieuwe tuchtprocedure op te starten. Aldus werden de rechten van verdediging van klager geschonden.
De directie kon in voorliggende tuchtprocedure dus maar twee inbreuken weerhouden, gebaseerd op het RAD van 20 november 2023: 1) de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van de eerste categorie); en 2) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (een inbreuk van de tweede categorie). Met de derde inbreuk (het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen (een inbreuk van de tweede categorie) mocht de directie geen rekening houden; zij had een nieuwe tuchtprocedure moeten opstarten voor wat betreft deze feiten.
Om de hierboven vermelde redenen, is de eerste klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van veertien dagen ATV voor drie tuchtinbreuken, één van eerste categorie en twee van de tweede categorie, respectievelijk “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”, “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen”
wordt vervangen door
de tuchtsanctie van veertien dagen ATV voor twee tuchtinbreuken, één van eerste categorie en één van de tweede categorie, respectievelijk “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” en “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”.
De tweede klacht is gericht tegen de schending van klagers recht op bijstand tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directie het recht op bijstand van klager tijdens de tuchtprocedure niet heeft geschonden.
Op 21 november 2023 werd aan klager voor het eerst de mededeling inzake de tuchtprocedure gedaan. Op dat moment heeft klager aangegeven dat hij beroep wenste te doen op een advocaat. Hij heeft onmiddellijk ook de naam van zijn advocaat genoteerd of laten noteren.
Uit de stukken die op vraag van het secretariaat van de klachtencommissie aan haar werden overgemaakt door het klachtenbureau, blijkt in ieder geval dat deze advocaat behoorlijk en tijdig (op 24 november 2023) werd opgeroepen voor de zitting van 27 november 2023. Naar aanleiding van deze uitnodiging, werd door het kantoor van deze advocaat gevraagd beroep te doen op een aanwezig pro deo-advocaat om klager bij te staan op de hoorzitting van 27 november 2023 vermits de door klager aangeduide advocaat niet aanwezig kon zijn.
Op het moment van de zitting was de pro deo-advocate aanwezig.
Uit het verweer blijkt dat de tuchtrechtelijke hoorzitting niet meer kon worden uitgesteld (gelet op de termijn van zeven dagen ). Terwijl reeds aan klager verteld was dat de zaak niet meer kon worden uitgesteld, stuurde hij de advocate alsnog weg. Hieruit leidt de klachtencommissie af dat klager wist dat de zaak in ieder geval zou doorgaan. Hoewel klager zich daarna bedacht en de advocate terugriep, was zij al vertrokken en kon zij hem niet meer bijstaan. Klager kon dus weldegelijk worden bijgestaan door een advocaat, maar door eigen toedoen (het wegsturen van de advocaat) heeft hij uiteindelijk geen bijstand genoten.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
De eerste klacht is gericht tegen de afwezigheid van een behoorlijke oproeping van klager voor de tuchtrechtelijke hoorzitting. In het eerste deel van zijn klacht stelt klager dat hij geen kennisname heeft gehad van de tucht. Tijdens de zitting van de klachtencommissie verduidelijkt de advocaat van klager dat, na het rapport over de beambte (eerste RAD), de tucht erbij is gekomen over het spuwen op de grond (tweede RAD) en dat klager hiervan nooit kennis heeft gekregen. Hij heeft zich dus ook niet kunnen verdedigen tegen deze feiten; hij had het pas achteraf gezien wanneer hij de sanctie had gekregen.
Klager werd gesanctioneerd met veertien dagen ATV wegens een drieledige inbreuk: 1) de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van de eerste categorie); 2) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (een inbreuk van de tweede categorie); 3) het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen (een inbreuk van de tweede categorie).
In de beide mededelingen inzake de tuchtprocedure van klager wordt enkel verwezen naar het eerste RAD, daterend van 20 november 2023. De eerste mededeling dateert van 21 november 2023, de tweede van 24 november 2023.
De klachtencommissie stelt vast dat het tweede RAD dateert van 26 november 2023 en dat de directeur kennis heeft genomen van dit RADD op diezelfde dag. De tuchtrechtelijke hoorzitting vond plaats op 27 november 2023.
Hoewel, zo volgt uit de tuchtbeslissing, klager op de tuchtzitting zou gehoord worden over de feiten uit het eerste en het tweede RAD, blijkt uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting niet dat klager op voorhand in kennis werd gesteld van deze tenlastelegging en dat hij wist dat hij zich hiertegen op een tuchtzitting zou moeten verdedigen. Dat op het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting wordt genoteerd dat zowel het eerste als het tweede RADD worden behandeld, doet hieraan niets af. De feiten uit het tweede RAD werden uiteindelijk ook in rekening gebracht bij het opstellen van de tuchtbeslissing.
De directie heeft, doordat zij noch klager, noch zijn advocaat uiteindelijk heeft kunnen horen op de tuchtrechtelijke hoorzitting, klager niet kunnen inlichten over de tenlastelegging uit het tweede RAD. De directie had de feiten uit het RAD van 26 november 2023 aldus niet mogen betrekken in dezelfde tuchtprocedure als deze die werd gevoerd voor het eerste RAD. Haar argument in verband met de nakende verstrijking van de termijn van zeven dagen (cf. verweer) dat geldt voor het eerste RAD, is niet van toepassing op het tweede rapport: aangezien dit pas werd opgesteld op 26 november 2023, had de directie nog de mogelijkheid om een nieuwe mededeling te doen aan klager en een nieuwe tuchtprocedure op te starten. Aldus werden de rechten van verdediging van klager geschonden.
De directie kon in voorliggende tuchtprocedure dus maar twee inbreuken weerhouden, gebaseerd op het RAD van 20 november 2023: 1) de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van de eerste categorie); en 2) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (een inbreuk van de tweede categorie). Met de derde inbreuk (het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen (een inbreuk van de tweede categorie) mocht de directie geen rekening houden; zij had een nieuwe tuchtprocedure moeten opstarten voor wat betreft deze feiten.
Om de hierboven vermelde redenen, is de eerste klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van veertien dagen ATV voor drie tuchtinbreuken, één van eerste categorie en twee van de tweede categorie, respectievelijk “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”, “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen”
wordt vervangen door
de tuchtsanctie van veertien dagen ATV voor twee tuchtinbreuken, één van eerste categorie en één van de tweede categorie, respectievelijk “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” en “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”.
De tweede klacht is gericht tegen de schending van klagers recht op bijstand tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directie het recht op bijstand van klager tijdens de tuchtprocedure niet heeft geschonden.
Op 21 november 2023 werd aan klager voor het eerst de mededeling inzake de tuchtprocedure gedaan. Op dat moment heeft klager aangegeven dat hij beroep wenste te doen op een advocaat. Hij heeft onmiddellijk ook de naam van zijn advocaat genoteerd of laten noteren.
Uit de stukken die op vraag van het secretariaat van de klachtencommissie aan haar werden overgemaakt door het klachtenbureau, blijkt in ieder geval dat deze advocaat behoorlijk en tijdig (op 24 november 2023) werd opgeroepen voor de zitting van 27 november 2023. Naar aanleiding van deze uitnodiging, werd door het kantoor van deze advocaat gevraagd beroep te doen op een aanwezig pro deo-advocaat om klager bij te staan op de hoorzitting van 27 november 2023 vermits de door klager aangeduide advocaat niet aanwezig kon zijn.
Op het moment van de zitting was de pro deo-advocate aanwezig.
Uit het verweer blijkt dat de tuchtrechtelijke hoorzitting niet meer kon worden uitgesteld (gelet op de termijn van zeven dagen ). Terwijl reeds aan klager verteld was dat de zaak niet meer kon worden uitgesteld, stuurde hij de advocate alsnog weg. Hieruit leidt de klachtencommissie af dat klager wist dat de zaak in ieder geval zou doorgaan. Hoewel klager zich daarna bedacht en de advocate terugriep, was zij al vertrokken en kon zij hem niet meer bijstaan. Klager kon dus weldegelijk worden bijgestaan door een advocaat, maar door eigen toedoen (het wegsturen van de advocaat) heeft hij uiteindelijk geen bijstand genoten.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.