Ga verder naar de inhoud

KC04/23-0274

Fondée KC - Beveren Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Fouille à corps
VOORLOPIGE MAATREGEL - FOUILLE OP HET LICHAAM - MOTIVERING - TUCHTBESLISSING - -VERBODEN VOORWERPEN - TOEREKENBAARHEID - BEWIJS - VERMOEDEN VAN ONSCHULD

De klacht is drievoudig en gericht tegen:
- een voorlopige maatregel;
- een fouillering op het lichaam;
- een tuchtbeslissing.

1. De voorlopige maatregel

De Basiswet voorziet dat, in geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, de directeur de in de Basiswet omschreven voorlopige maatregelen kan nemen in afwachting van een tuchtprocedure.

Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 (p.14) bepaalt dat, wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden deze beslissing kunnen nemen, mits onmiddellijke kennisgeving ervan aan de directeur, die dan een beslissing neemt. Uit een recente beslissing van de beroepscommissie blijkt echter dat een dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien (zie Nederlandstalige beroepscommissie 31 januari 2023, BC/22-0123). Volgens de beroepscommissie zou DG EPI haar instructies, dus ook bovenstaande bepaling van de Collectieve Brief, daardoor moeten aanpassen.

De klachtencommissie stelt vast dat de voorlopige maatregel niet werd ondertekend door de directeur, maar door een penitentiair technisch deskundige bewaker (PTDB). De klachtencommissie kan dan ook niet anders dan vaststellen dat de maatregel onwettig is.

De klacht is gegrond.

2. De fouillering op het lichaam

Een onderzoek aan het lichaam heeft een subsidiair karakter en moet beschouwd worden als ultimum remedium. Wanneer er andere, minder ingrijpende methoden zijn om het doel te bereiken, zoals een onderzoek op de kledij, moet men deze eerst uit te putten. Wanneer een minder ingrijpende methode niet volstaat, moet men motiveren waarom dat zo is. De motivering voldoet niet aan dit aspect. In de beslissing wordt niet verantwoord waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan.

De klacht is gegrond.

3. De tuchtbeslissing

Er werden verschillende voorwerpen aangetroffen op cel van klager. Hiervoor kreeg hij een tuchtbeslissing opgelegd.

Klager ontkent dat de gevonden verboden voorwerpen aan hem toebehoren. Klager voert aan dat zijn celgenoot alles op zich heeft genomen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. De directie acht dit ongeloofwaardig. Zoals blijkt uit het verweer van de directie, heeft de celgenoot van klager het volgende verklaard: ‘Het is duidelijk dat het allemaal niet van mij is, maar toch is alles van mij’.’ ik krijg problemen door spullen die niet van mij zijn.’ ‘Als ik mijn verhaal eerlijk doe, maak ik geen kans. Alles is duidelijk, maar ik neem alles op mij.’ De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie deze vermeende bekentenis in twijfel trekt.

Gelet op de vondst van de agenda van klager waarin gedetailleerde informatie over de verboden substanties is opgenomen, alsook het feit dat klager probeerde te vermijden om de betrokken agenda te overhandigen, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie de gevonden voorwerpen, tenminste wat betreft de anabolen, heeft toegerekend aan klager.

De klachtencommissie wenst de directie er wel op te wijzen dat de vaststellingen die voortvloeien uit de fouillering op het lichaam, zoals vastgesteld in het RAD, op onwettige wijze verkregen zijn en hier aldus geen rekening mee mag worden gehouden. De fouillering op het lichaam is namelijk op een onbehoorlijke manier gemotiveerd, wat een onwettigheid met zich mee brengt. Deze onwettigheid tast het daaruit voortvloeiende bewijs aan. Echter, volgens de Raad van State impliceert de onregelmatigheid van een beslissing tot fouillering op het lichaam niet noodzakelijkerwijs de onwettigheid van de opgelegde tuchtmaatregel, mits deze gebaseerd is op andere elementen die op regelmatige wijze zijn verkregen , wat in casu het geval is.

De klachtencommissie wenst de directie er eveneens op te wijzen dat het verleden van klager geen rol kan spelen in het toerekenen van de gevonden voorwerpen aan klager. Het vermoeden van onschuld dient ten volle te spelen.

Dit gezegd zijnde, meent de klachtencommissie dat voldoende elementen overeind blijven die wijzen op een toerekenbaarheid van de gevonden voorwerpen aan klager, wat betreft de anabolen.

Wat betreft de overige voorwerpen echter, met name de gsm’s en bijhorende accessoires, meent de klachtencommissie dat op onvoldoende wijze gemotiveerd is waarom deze aan klager toebehoren. De klachtencommissie meent dat de directie dit deel van de tuchtrechtelijke feiten niet als toerekenbaar aan klager kan beschouwen. De klacht is dan ook gedeeltelijk gegrond, wat betreft de tuchtinbreuk van het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken. De klachtencommissie vernietigt de kwalificatie "het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken" en zegt dat de tuchtinbreuk dient te worden verwijderd uit het tuchtregister van klager. De klachtencommissie acht verder geen tegemoetkoming nodig. Voor het overige blijft de tuchtbeslissing bestaan.

De overige feiten zijn gekwalificeerd als volgt
- het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (tuchtinbreuk eerste categorie);
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (tuchtinbreuk tweede categorie).

Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken, in casu de tuchtinbreuk van de eerste categorie. Klager kreeg een tuchtsanctie van 30 dagen ATV opgelegd. Dit is de maximum sanctie. De sanctie is aldus wettelijk.

Bovendien meent de klachtencommissie dat de sanctie, hoewel streng, niet onredelijk is, gegeven de tuchtrechtelijke voorgaanden van klager. Ook na herkwalificatie acht de klachtencommissie de opgelegde en reeds ondergane sanctie redelijk, zodat deze kan behouden blijven.

Het deel van de klacht dat betrekking heeft op de tuchtinbreuk van het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, is daarom ongegrond. De bestreden beslissing blijft bestaan, wat betreft dit onderdeel.