KC04/23-0250
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Fouille à corps
TUCHT - VOORLOPIGE MAATREGEL - FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - CAMERABEELDEN
De eerste klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel.
Gelet op het feit dat klager en een medegedetineerde slaags waren geraakt en de ernst van het gevecht, kon de directie beslissen dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Hierdoor was de beslissing tot voorlopige maatregel verantwoord. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen.
De eerste klacht is niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam.
De gedetineerde wordt gefouilleerd op het lichaam wanneer de directeur van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat. De directie moet in de beslissing tot fouillering op het lichaam dus ook motiveren waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Dit principe wordt bevestigd door de Beroepscommissie. De klachtencommissie heeft reeds bij herhaling dit principe onderlijnd en toegepast, maar dient (opnieuw) vast te stellen dat de directie dit blijft negeren. De fouillebeslissing voldoet niet aan deze vereisten.
De tweede klacht is gegrond.
De derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing.
Gelet op de vaststellingen van de beambten die werden genoteerd in het rapport, de camerabeelden die de vaststellingen bevestigen alsook de verklaringen van klager die niet ontkent dat hij zelf geweld heeft gebruikt, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie de feiten in redelijkheid en billijkheid voor bewezen kon verklaren. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie het feit dat het gevecht plaatsvond op de gemeenschappelijke wandeling, kwalificeert als een verzwarende omstandigheid.
De klachtencommissie kan niet voorbijgaan aan het feit dat klager, hoewel hij inderdaad geconfronteerd werd met een slag in het gezicht, uitdagingen en beledigingen, op zijn beurt ook ernstig fysiek geweld heeft gebruikt ten aanzien van een medegedetineerde. Uit het rapport blijkt tenslotte ook dat klager nog natrapte op de gedetineerde.
De feiten werden gekwalificeerd als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, een tuchtinbreuk van de eerste categorie. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden. De tuchtsanctie van dertig dagen ATV is bijgevolg wettig. Hoewel de straf aan het uiteinde zit van wat wettelijk mogelijk is, meent de klachtencommissie dat deze niet onredelijk is gelet op alle elementen die de directie in haar beslissing aanhaalt.
Om deze redenen is de derde klacht is niet gegrond.
De eerste klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel.
Gelet op het feit dat klager en een medegedetineerde slaags waren geraakt en de ernst van het gevecht, kon de directie beslissen dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Hierdoor was de beslissing tot voorlopige maatregel verantwoord. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen.
De eerste klacht is niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam.
De gedetineerde wordt gefouilleerd op het lichaam wanneer de directeur van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat. De directie moet in de beslissing tot fouillering op het lichaam dus ook motiveren waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Dit principe wordt bevestigd door de Beroepscommissie. De klachtencommissie heeft reeds bij herhaling dit principe onderlijnd en toegepast, maar dient (opnieuw) vast te stellen dat de directie dit blijft negeren. De fouillebeslissing voldoet niet aan deze vereisten.
De tweede klacht is gegrond.
De derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing.
Gelet op de vaststellingen van de beambten die werden genoteerd in het rapport, de camerabeelden die de vaststellingen bevestigen alsook de verklaringen van klager die niet ontkent dat hij zelf geweld heeft gebruikt, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie de feiten in redelijkheid en billijkheid voor bewezen kon verklaren. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie het feit dat het gevecht plaatsvond op de gemeenschappelijke wandeling, kwalificeert als een verzwarende omstandigheid.
De klachtencommissie kan niet voorbijgaan aan het feit dat klager, hoewel hij inderdaad geconfronteerd werd met een slag in het gezicht, uitdagingen en beledigingen, op zijn beurt ook ernstig fysiek geweld heeft gebruikt ten aanzien van een medegedetineerde. Uit het rapport blijkt tenslotte ook dat klager nog natrapte op de gedetineerde.
De feiten werden gekwalificeerd als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, een tuchtinbreuk van de eerste categorie. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden. De tuchtsanctie van dertig dagen ATV is bijgevolg wettig. Hoewel de straf aan het uiteinde zit van wat wettelijk mogelijk is, meent de klachtencommissie dat deze niet onredelijk is gelet op alle elementen die de directie in haar beslissing aanhaalt.
Om deze redenen is de derde klacht is niet gegrond.