KC04/23-0195
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Disciplinaire
Mesure d'ordre
TUCHT - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - VERBODEN SUBSTANTIES - NON BIS IN IDEM
De eerste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing.
De klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing is ontvankelijk.
Klager is tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.
De directie verwijst in haar motivering naar de vaststellingen tijdens de celcontrole (de aangetroffen spanbanden, de badge van een medegedetineerde en de sigaret, alsook de gevonden substantie in plastic folie). De directie acht de vaststellingen duidelijk en bewezen, mede gelet op het feit dat ze niet ontkend worden. Ze wijst daarnaast op het feit dat het gebruik van drugs en de neveneffecten die daarmee gepaard gaan, een ernstige bedreiging vormen voor de interne orde en veiligheid. Betrokkene zou door zijn acties ook deelnemen aan een handel, en stelt zich op als onderdeel van een illegale trafiek waarbij mensen onder druk worden gezet of illegale handelingen stellen. Volgens de directeur is dit vast te stellen doordat klager verklaart dat hij de substantie van een medegedetineerde heeft ontvangen (cf. het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting). De directie concludeert dat ze bij de bepaling van de sanctie rekening houdt met de hoeveelheid verboden substanties die werd gevonden, nl. 6,70 gram.
De vaststellingen in hat RADD zijn objectief, gedetailleerd en duidelijk. Bovendien gaf klager de feiten toe. De klachtencommissie is van oordeel dat, gelet op alle elementen, de directie de tuchtinbreuk bewezen kon achten.
Voor een inbreuk van de eerste categorie kan ATV worden opgelegd voor maximaal dertig dagen. Bij de bepaling van de strafmaat werd door de directie rekening gehouden met de hoeveelheid verboden substantie, zijnde 6,70 gram. De klachtencommissie is van oordeel dat deze tuchtsanctie niet onredelijk is gelet op de ernst van de inbreuk en het tuchtverleden van klager. De beslissing is wettelijk, billijk en met reden omkleed.
De eerste klacht is niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen de ordemaatregel.
De klacht met betrekking tot de ordemaatregel is ontvankelijk.
Eenzelfde feit kan zowel aanleiding geven tot een tuchtsanctie, als tot een ordemaatregel, voor zover deze geen verdoken tuchtsanctie uitmaakt. Uit de motivering van de beslissing van de ordemaatregel blijkt dat feitelijke motieven waarop de ordemaatregel is gestoeld, dezelfde zijn als deze van de tuchtsanctie. Bijgevolg blijkt de ordemaatregel enkel gebaseerd op dit incident, waarvoor klager ook tuchtrechtelijk wordt gesanctioneerd.
De (in de tijd onbeperkte) regimemutatie met verlies van werk, volgde aldus direct uit de tuchtsanctie van dertig dagen ATV. Door dit automatisme, heeft de directie in feite een bijkomende (verdoken) tuchtsanctie genomen die niet voorzien is in de Basiswet.
De klachtencommissie herinnert de directie bovendien aan de instructies van de Directie juridische ondersteuning van de penitentiaire administratie van 18 juni 2015 inzake arbeid-tucht-veiligheidsmaatregel.
In deze instructies lijnt dat de administratie haar ruime discretionaire bevoegdheid inzake de toewijzing van arbeid af aan de hand van drie duidelijk onderscheiden hypotheses. In casu is de derde hypothese van toepassing, met name een ordemaatregel afzetting van werk, wanneer er sprake is van een tuchtinbreuk.
Het is om te vermijden dat ontslagbeslissingen die op een tuchtinbreuk volgen een “verdoken tuchtsanctie zijn of lijken”, dat de instructie in deze hypothese voorschrijft om slechts “na afloop van
de sanctie” te beoordelen of “het werk nog beschikbaar is” en desgevallend zo nodig en gemotiveerde ontslagbeslissing te nemen.
Door deze ordemaatregel meteen te nemen, doet deze zich voor als een tweede bijkomende (verdoken) tuchtsanctie.
Door klager meteen te ontslaan op grond van een ordemaatregel, omzeilt de directeur tot slot het cumulverbod uit artikel 143 §3 van de Basiswet, op grond waarvan een ATV niet kan worden gecumuleerd met andere sancties, zoals de afzetting van werk uit artikel 133, 6° Basiswet.
De instructies van DG EPI schrijven terecht voor dat pas na afloop van de tuchtsanctie kan worden geëvalueerd of er nog aanleiding is tot een ontslag en klager aldus niet opnieuw aan het werk kan.
Specifiek wat betreft de afzetting van werk, stelt de directie tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie dat, omwille van de mutatie van klager naar het gesloten regime, continuïteit van de dienstverlening niet mogelijk is en dat de werkplek geen dertig dagen open kan blijven staan, maar dat klager meteen na de tucht wel werk kan aanvragen. Hieruit volgt dus dat het ontslag een de facto gevolg is van de mutatie naar het gesloten regime. Met deze a posteriori motivering kan de klachtencommissie geen rekening houden: de reden die op het tijdstip waarop de beslissing was genomen, was opgegeven, moet geacht worden het motief te zijn waarop de beslissing werkelijk gegrond is. Op achteraf opgegeven motieven kan geen acht worden geslagen omdat het niet bewezen is dat ze meegespeeld hebben bij de besluitvorming en dat ze werkelijk ten grondslag van de bestreden beslissing hebben gelegen.
Een ordemaatregel dient bovendien beperkt te zijn in de tijd. De directie stelde tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie dat klager meteen na de tucht wel meteen werk kan aanvragen. De klachtencommissie merkt op dat in de beslissing de bewoordingen “na verloop van tijd” (“[…] en na verloop van tijd een nieuwe kans kan krijgen op het open regime en een nieuwe kans tot tewerkstelling.”), i.e. “onbepaalde tijd”, worden gebruikt en niet “na afloop van de tuchtsanctie”. De klachtencommissie stelt dat dergelijke termijn in de toekomst dient te worden geëxpliciteerd in de motivering van de beslissing.
Tenslotte merkt de klachtencommissie op dat het document m.b.t. de ordemaatregel niet door klager werd ondertekend. Er wordt evenmin vermeld dat klager weigerde te tekenen, noch werd de beslissing getekend door (een) beambte(n). Het document werd slordig ingevuld. De klachtencommissie draagt de directie op om in het vervolg toe te zien op het correct invullen van dergelijke documenten.
De tweede klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden ordemaatregel en zegt dat:
- klager zo snel mogelijk en uiterlijk binnen zeven dagen na de betekening van de beslissing terug naar het open regime mag muteren;
- klager bij de eerstvolgende mogelijkheid die zich voordoet opnieuw mag werken als afvalfatiek.
De eerste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing.
De klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing is ontvankelijk.
Klager is tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.
De directie verwijst in haar motivering naar de vaststellingen tijdens de celcontrole (de aangetroffen spanbanden, de badge van een medegedetineerde en de sigaret, alsook de gevonden substantie in plastic folie). De directie acht de vaststellingen duidelijk en bewezen, mede gelet op het feit dat ze niet ontkend worden. Ze wijst daarnaast op het feit dat het gebruik van drugs en de neveneffecten die daarmee gepaard gaan, een ernstige bedreiging vormen voor de interne orde en veiligheid. Betrokkene zou door zijn acties ook deelnemen aan een handel, en stelt zich op als onderdeel van een illegale trafiek waarbij mensen onder druk worden gezet of illegale handelingen stellen. Volgens de directeur is dit vast te stellen doordat klager verklaart dat hij de substantie van een medegedetineerde heeft ontvangen (cf. het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting). De directie concludeert dat ze bij de bepaling van de sanctie rekening houdt met de hoeveelheid verboden substanties die werd gevonden, nl. 6,70 gram.
De vaststellingen in hat RADD zijn objectief, gedetailleerd en duidelijk. Bovendien gaf klager de feiten toe. De klachtencommissie is van oordeel dat, gelet op alle elementen, de directie de tuchtinbreuk bewezen kon achten.
Voor een inbreuk van de eerste categorie kan ATV worden opgelegd voor maximaal dertig dagen. Bij de bepaling van de strafmaat werd door de directie rekening gehouden met de hoeveelheid verboden substantie, zijnde 6,70 gram. De klachtencommissie is van oordeel dat deze tuchtsanctie niet onredelijk is gelet op de ernst van de inbreuk en het tuchtverleden van klager. De beslissing is wettelijk, billijk en met reden omkleed.
De eerste klacht is niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen de ordemaatregel.
De klacht met betrekking tot de ordemaatregel is ontvankelijk.
Eenzelfde feit kan zowel aanleiding geven tot een tuchtsanctie, als tot een ordemaatregel, voor zover deze geen verdoken tuchtsanctie uitmaakt. Uit de motivering van de beslissing van de ordemaatregel blijkt dat feitelijke motieven waarop de ordemaatregel is gestoeld, dezelfde zijn als deze van de tuchtsanctie. Bijgevolg blijkt de ordemaatregel enkel gebaseerd op dit incident, waarvoor klager ook tuchtrechtelijk wordt gesanctioneerd.
De (in de tijd onbeperkte) regimemutatie met verlies van werk, volgde aldus direct uit de tuchtsanctie van dertig dagen ATV. Door dit automatisme, heeft de directie in feite een bijkomende (verdoken) tuchtsanctie genomen die niet voorzien is in de Basiswet.
De klachtencommissie herinnert de directie bovendien aan de instructies van de Directie juridische ondersteuning van de penitentiaire administratie van 18 juni 2015 inzake arbeid-tucht-veiligheidsmaatregel.
In deze instructies lijnt dat de administratie haar ruime discretionaire bevoegdheid inzake de toewijzing van arbeid af aan de hand van drie duidelijk onderscheiden hypotheses. In casu is de derde hypothese van toepassing, met name een ordemaatregel afzetting van werk, wanneer er sprake is van een tuchtinbreuk.
Het is om te vermijden dat ontslagbeslissingen die op een tuchtinbreuk volgen een “verdoken tuchtsanctie zijn of lijken”, dat de instructie in deze hypothese voorschrijft om slechts “na afloop van
de sanctie” te beoordelen of “het werk nog beschikbaar is” en desgevallend zo nodig en gemotiveerde ontslagbeslissing te nemen.
Door deze ordemaatregel meteen te nemen, doet deze zich voor als een tweede bijkomende (verdoken) tuchtsanctie.
Door klager meteen te ontslaan op grond van een ordemaatregel, omzeilt de directeur tot slot het cumulverbod uit artikel 143 §3 van de Basiswet, op grond waarvan een ATV niet kan worden gecumuleerd met andere sancties, zoals de afzetting van werk uit artikel 133, 6° Basiswet.
De instructies van DG EPI schrijven terecht voor dat pas na afloop van de tuchtsanctie kan worden geëvalueerd of er nog aanleiding is tot een ontslag en klager aldus niet opnieuw aan het werk kan.
Specifiek wat betreft de afzetting van werk, stelt de directie tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie dat, omwille van de mutatie van klager naar het gesloten regime, continuïteit van de dienstverlening niet mogelijk is en dat de werkplek geen dertig dagen open kan blijven staan, maar dat klager meteen na de tucht wel werk kan aanvragen. Hieruit volgt dus dat het ontslag een de facto gevolg is van de mutatie naar het gesloten regime. Met deze a posteriori motivering kan de klachtencommissie geen rekening houden: de reden die op het tijdstip waarop de beslissing was genomen, was opgegeven, moet geacht worden het motief te zijn waarop de beslissing werkelijk gegrond is. Op achteraf opgegeven motieven kan geen acht worden geslagen omdat het niet bewezen is dat ze meegespeeld hebben bij de besluitvorming en dat ze werkelijk ten grondslag van de bestreden beslissing hebben gelegen.
Een ordemaatregel dient bovendien beperkt te zijn in de tijd. De directie stelde tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie dat klager meteen na de tucht wel meteen werk kan aanvragen. De klachtencommissie merkt op dat in de beslissing de bewoordingen “na verloop van tijd” (“[…] en na verloop van tijd een nieuwe kans kan krijgen op het open regime en een nieuwe kans tot tewerkstelling.”), i.e. “onbepaalde tijd”, worden gebruikt en niet “na afloop van de tuchtsanctie”. De klachtencommissie stelt dat dergelijke termijn in de toekomst dient te worden geëxpliciteerd in de motivering van de beslissing.
Tenslotte merkt de klachtencommissie op dat het document m.b.t. de ordemaatregel niet door klager werd ondertekend. Er wordt evenmin vermeld dat klager weigerde te tekenen, noch werd de beslissing getekend door (een) beambte(n). Het document werd slordig ingevuld. De klachtencommissie draagt de directie op om in het vervolg toe te zien op het correct invullen van dergelijke documenten.
De tweede klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden ordemaatregel en zegt dat:
- klager zo snel mogelijk en uiterlijk binnen zeven dagen na de betekening van de beslissing terug naar het open regime mag muteren;
- klager bij de eerstvolgende mogelijkheid die zich voordoet opnieuw mag werken als afvalfatiek.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/23-0288