KC04/22-0087
Non fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Disciplinaire
Mesure d'ordre
TUCHT - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
De rapporten zijn duidelijk en vermelden geen twijfel. In het kader van de tuchtprocedure van de gedetineerde met wie het incident zich heeft voorgedaan, werd de celgenoot van deze laatste gehoord. Deze bevestigt dat er een soort van spelend gevecht heeft plaatsgevonden. Klager ontkent dit ook niet in het kader van zijn tuchtprocedure, evenals de gedetineerde met wie het incident heeft plaatsgevonden. De klachtencommissie besluit dan ook dat de tuchtinbreuk bewezen is en dat deze correct werd gekwalificeerd in de tuchtbeslissing. Voor een inbreuk van de eerste categorie kan ATV worden opgelegd voor maximaal 30 dagen. De beslissing om 3 dagen ATV voorwaardelijk op te leggen is bijgevolg wettig. Dit is ook niet onbillijk of onredelijk, gelet op de maximumstraf.
De klacht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.
Er is een ordemaatregel genomen waarbij klager afgezet wordt van zijn functie als sectiediender. Een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. De directeur staat in voor de toewijzing van arbeid aan gedetineerden die om arbeid verzocht hebben. Het toewijzen van arbeid is een discretionaire en geen gebonden bevoegdheid van de directeur. De directeur oordeelt vrij over de geschiktheid van de gedetineerde voor een bepaalde werkplaats of een bepaalde functie. Evenzeer kan de directeur ook beslissen een gedetineerde af te zetten van het werk omdat de gedetineerde het werk bijvoorbeeld niet correct uitvoert, of een tuchtinbreuk begaat die de werkrelatie onmogelijk maakt. In dat laatste geval dient de maatregel schriftelijk genomen te zijn, met vermelding van de redenen van de beslissing. De redenen dienen de gedetineerde toe te laten te begrijpen waarom het werk niet langer als “passend werk” kan worden beschouwd. De directeur kon klager ontslaan uit zijn functie, gelet op de bewezen geachte tuchtinbreuk en de omstandigheden die daaruit voortgevloeid zijn (door de commotie werd de orde en de veiligheid op het open regime in gevaar gebracht) waardoor klager niet meer geschikt geacht werd om te werken als sectiediender.
De klacht tegen de ordemaatregel is ongegrond.
De rapporten zijn duidelijk en vermelden geen twijfel. In het kader van de tuchtprocedure van de gedetineerde met wie het incident zich heeft voorgedaan, werd de celgenoot van deze laatste gehoord. Deze bevestigt dat er een soort van spelend gevecht heeft plaatsgevonden. Klager ontkent dit ook niet in het kader van zijn tuchtprocedure, evenals de gedetineerde met wie het incident heeft plaatsgevonden. De klachtencommissie besluit dan ook dat de tuchtinbreuk bewezen is en dat deze correct werd gekwalificeerd in de tuchtbeslissing. Voor een inbreuk van de eerste categorie kan ATV worden opgelegd voor maximaal 30 dagen. De beslissing om 3 dagen ATV voorwaardelijk op te leggen is bijgevolg wettig. Dit is ook niet onbillijk of onredelijk, gelet op de maximumstraf.
De klacht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.
Er is een ordemaatregel genomen waarbij klager afgezet wordt van zijn functie als sectiediender. Een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. De directeur staat in voor de toewijzing van arbeid aan gedetineerden die om arbeid verzocht hebben. Het toewijzen van arbeid is een discretionaire en geen gebonden bevoegdheid van de directeur. De directeur oordeelt vrij over de geschiktheid van de gedetineerde voor een bepaalde werkplaats of een bepaalde functie. Evenzeer kan de directeur ook beslissen een gedetineerde af te zetten van het werk omdat de gedetineerde het werk bijvoorbeeld niet correct uitvoert, of een tuchtinbreuk begaat die de werkrelatie onmogelijk maakt. In dat laatste geval dient de maatregel schriftelijk genomen te zijn, met vermelding van de redenen van de beslissing. De redenen dienen de gedetineerde toe te laten te begrijpen waarom het werk niet langer als “passend werk” kan worden beschouwd. De directeur kon klager ontslaan uit zijn functie, gelet op de bewezen geachte tuchtinbreuk en de omstandigheden die daaruit voortgevloeid zijn (door de commotie werd de orde en de veiligheid op het open regime in gevaar gebracht) waardoor klager niet meer geschikt geacht werd om te werken als sectiediender.
De klacht tegen de ordemaatregel is ongegrond.