ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - PROPORTIONALITEIT
De klacht is gericht tegen een ordemaatregel die beslist dat klager wordt afgezet als sectie-diender. De eerste reden tot ontslag, met name het weigeren van het opvolgen van bevelen gaat erover dat klager de kledij van iemand in medische isolatie niet wilde wassen met nieuwe handschoenen als enige beschermingsmaatregel. Het argument van klager past immers binnen zijn houding omtrent medicatie en omtrent zijn persoonlijke medische problematiek. Het argument van klager is zeer begrijpelijk en moet in rekening worden gebracht bij de belangenafweging die de directie moet maken wanneer zij een redelijke en billijke beslissing wil nemen. De tweede reden tot ontslag, met name dat klager zich niet meer veilig zou voelen, kan volgens de Klachtencommissie geen reden zijn om klager te ontslaan. Indien klager zich niet veilig voelt tijdens zijn werk, kan hij uiteraard er zelf voor kiezen om zijn werk te beëindigen. Uit de klacht blijkt echter duidelijk dat klager zijn werk wenst te behouden en dat hij afgezien van het ene incident geen problemen ziet in de uitvoering van zijn werk. Het argument van klager omtrent zijn angst voor een Covid besmetting is zeer begrijpelijk en moet in rekening worden gebracht bij de belangenafweging. De andere gevolgen, met name de onzekerheid over de duur van de werkloosheid als gevolg van de lange wachtlijsten worden niet in rekening gebracht bij het nemen van de beslissing om klager zonder meer af te zetten als sectie-diender. De Klachtencommissie betreurt dat er niet samen met klager naar een andere, minder ingrijpende oplossing dan het ontslag is gezocht. De beslissing van de directeur is daarom disproportioneel, dus onredelijk en onbillijk. De klacht is gegrond. De directie moet de gevolgen van de ordemaatregel voor zover als mogelijk terugdraaien bij de eerstvolgende mogelijkheid in die zin dat zij klager bovenaan op de wachtlijst moet plaatsen.
De klacht is gericht tegen een ordemaatregel die beslist dat klager wordt afgezet als sectie-diender. De eerste reden tot ontslag, met name het weigeren van het opvolgen van bevelen gaat erover dat klager de kledij van iemand in medische isolatie niet wilde wassen met nieuwe handschoenen als enige beschermingsmaatregel. Het argument van klager past immers binnen zijn houding omtrent medicatie en omtrent zijn persoonlijke medische problematiek. Het argument van klager is zeer begrijpelijk en moet in rekening worden gebracht bij de belangenafweging die de directie moet maken wanneer zij een redelijke en billijke beslissing wil nemen. De tweede reden tot ontslag, met name dat klager zich niet meer veilig zou voelen, kan volgens de Klachtencommissie geen reden zijn om klager te ontslaan. Indien klager zich niet veilig voelt tijdens zijn werk, kan hij uiteraard er zelf voor kiezen om zijn werk te beëindigen. Uit de klacht blijkt echter duidelijk dat klager zijn werk wenst te behouden en dat hij afgezien van het ene incident geen problemen ziet in de uitvoering van zijn werk. Het argument van klager omtrent zijn angst voor een Covid besmetting is zeer begrijpelijk en moet in rekening worden gebracht bij de belangenafweging. De andere gevolgen, met name de onzekerheid over de duur van de werkloosheid als gevolg van de lange wachtlijsten worden niet in rekening gebracht bij het nemen van de beslissing om klager zonder meer af te zetten als sectie-diender. De Klachtencommissie betreurt dat er niet samen met klager naar een andere, minder ingrijpende oplossing dan het ontslag is gezocht. De beslissing van de directeur is daarom disproportioneel, dus onredelijk en onbillijk. De klacht is gegrond. De directie moet de gevolgen van de ordemaatregel voor zover als mogelijk terugdraaien bij de eerstvolgende mogelijkheid in die zin dat zij klager bovenaan op de wachtlijst moet plaatsen.