KC04/21-0100
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Mesure d'ordre
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - ORDEMAATREGEL - VERTROUWENSFUNCTIE - ONTSLAG
De directie heeft in de beslissing niet aangekruist of zij meent dat er sprake is van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, dan wel een ernstig gevaar voor de veiligheid in de gevangenis door het aanzetten of voeren van collectieve acties, dan wel een gevaar voor de orde of de veiligheid. Nochtans is de reden van de voorlopige maatregel van belang om te bepalen welke maatregel genomen kan worden. De directie heeft evenmin aangekruist welke maatregelen er worden genomen in afwachting van de tuchtprocedure. De motivering van de beslissing is dus gebrekkig. Tot slot blijkt niet of de voorlopige maatregel is genomen door een directeur. De klacht omtrent de voorlopige maatregel is gegrond.
Het rapport beschrijft dat klager zijn hand zou wegsteken achter de celdeur die half open stond terwijl een andere fatiek het zicht van de beambte zou belemmeren door voor klager te gaan staan. De directie meent dat klager niet geschikt is om de functie van sectiediender of fatiek uit te oefenen omwille van een vertrouwensbreuk die voortvloeit uit het vermoeden van een tuchtinbreuk. Volgens de Klachtencommissie kon de directie inderdaad beoordelen dat zelfs een vermoeden van een tuchtinbreuk en verdachte handelingen een vertrouwensbreuk met zich mee kan brengen in die zin dat klager niet meer geschikt is om het werk uit te blijven oefenen. De klacht is ongegrond.
De Klachtencommissie is van oordeel dat de directeur de beslissing op een redelijke en zorgvuldige manier heeft genomen, gezien het niet de eerste keer is dat klager in opspraak.
De directie heeft in de beslissing niet aangekruist of zij meent dat er sprake is van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, dan wel een ernstig gevaar voor de veiligheid in de gevangenis door het aanzetten of voeren van collectieve acties, dan wel een gevaar voor de orde of de veiligheid. Nochtans is de reden van de voorlopige maatregel van belang om te bepalen welke maatregel genomen kan worden. De directie heeft evenmin aangekruist welke maatregelen er worden genomen in afwachting van de tuchtprocedure. De motivering van de beslissing is dus gebrekkig. Tot slot blijkt niet of de voorlopige maatregel is genomen door een directeur. De klacht omtrent de voorlopige maatregel is gegrond.
Het rapport beschrijft dat klager zijn hand zou wegsteken achter de celdeur die half open stond terwijl een andere fatiek het zicht van de beambte zou belemmeren door voor klager te gaan staan. De directie meent dat klager niet geschikt is om de functie van sectiediender of fatiek uit te oefenen omwille van een vertrouwensbreuk die voortvloeit uit het vermoeden van een tuchtinbreuk. Volgens de Klachtencommissie kon de directie inderdaad beoordelen dat zelfs een vermoeden van een tuchtinbreuk en verdachte handelingen een vertrouwensbreuk met zich mee kan brengen in die zin dat klager niet meer geschikt is om het werk uit te blijven oefenen. De klacht is ongegrond.
De Klachtencommissie is van oordeel dat de directeur de beslissing op een redelijke en zorgvuldige manier heeft genomen, gezien het niet de eerste keer is dat klager in opspraak.