Ga verder naar de inhoud

KC02/25-0238

Fondée KC - Antwerpen Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEINTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - BEWIJS

De klacht gaat over een tuchtbeslissing, een voorlopige maatregel, een beslissing tot fouillering op het lichaam en een beslissing tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel.

- De tuchtbeslissing

Het dossier bevat een rapport aan de directeur waarin een beambte beschrijft hoe het tijdens de wandeling tot een confrontatie tussen klager en een medegedetineerde kwam. Uit het RAD blijkt dat de medegedetineerde klager begon te slaan, en klager terugsloeg. Nadat medegedetineerden tussenbeide waren gekomen, ging klager steeds opnieuw terug naar de tegenpartij en ging het gevecht door. Klager lag uiteindelijk op de grond en de medegedetineerde zat op hem met de handen rond klagers nek. Beiden werden geboeid weggebracht en in de naakte cel geplaatst.

Klager werd gesanctioneerd met tien dagen ATV voor de tuchtinbreuk gesanctioneerd wegens ‘de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’.

De klachtencommissie stelt vast dat klager en zijn advocaat tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting meermaals hebben verzocht om de camerabeelden te bekijken. Uit de verklaringen tijdens de zitting van de klachtencommissie is gebleken dat de directeur de camerabeelden heeft bekeken tijdens de tuchtprocedure gevoerd ten aanzien van de medegedetineerde. In de tuchtbeslissing ten aanzien van klager verwijst de directie niet naar deze beelden. Ze verwijst naar de aanwezigheid van getuigenverklaringen, op dewelke zij het bewezen zijn van de feiten baseert. Ze verwijst ook naar de verklaringen van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting.

De klachtencommissie stelt vast dat de directeur tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verklaarde dat hij navraag zou doen over de beschikbaarheid van de camerabeelden en dat over de sanctie beslist zou worden nadat er nieuws was over de camerabeelden. Door dit te stellen, erkent de directeur dat de camerabeelden van belang waren bij het beoordelen van de feiten en het nemen van de tuchtbeslissing, dus dat nader onderzoek nodig was. De directie bleek dus wel van mening dat er tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting tegenindicaties werden aangebracht die deden twijfelen aan de inhoud van het RAD. Zij heeft bovendien de verwachting geschept dat ze de camerabeelden zou opsporen en klager op de hoogte zou houden van deze bijkomende onderzoeksdaad en het resultaat daarvan, wat ze finaal niet heeft gedaan. De directie is hierbij onzorgvuldig te werk gegaan.

De klachtencommissie nodigt de directie uit om in de toekomst in de tuchtbeslissing expliciet te motiveren waarom zij niet ingaat op een verzoek van de gedetineerde of van zijn advocaat om camerabeelden te bekijken. Van zodra de directie beslist om camerabeelden te bekijken en haar besluitvorming (mee) tot stand komt op basis van deze beelden, maken deze beelden deel uit van het tuchtdossier en moeten deze uiteraard aan tegenspraak worden onderworpen alvorens een tuchtbeslissing mag worden genomen.

Wat betreft de toerekenbaarheid, motiveert de directie onvoldoende waarom de feiten, ondanks het statuut van klager als geïnterneerde, aan klager konden worden toegerekend. Ze verwijst naar het RAD waaruit volgens haar blijkt dat klager zeer coherent was op het moment van de feiten, maar de klachtencommissie stelt vast dat het RAD enkel de feiten beschrijft en op geen enkele manier informatie geeft over de geestestoestand van klager. Het is onduidelijk op welke manier de directie uit het RAD heeft afgeleid dat klager op het moment van de feiten zeer coherent was. De directie verwijst ook naar het feit dat klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting helder en coherent was. Hiermee spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. De directie stelt dat klagers dagelijks gedrag en functioneren aantoont dat hij zich bewust is van zijn daden en gedrag, waarmee ze verwijst naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid, hetgeen niet strookt met het statuut van internering.

Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt in de tuchtbeslissing echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had. Uit de verklaringen ter zitting blijkt bovendien dat klager geïnterneerd werd voor een geweldsdelict.

Om bovenstaande redenen voldoet de tuchtbeslissing niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.

- De VM, de naaktfouille en de BVM

De advocaat van klager verklaarde ter zitting van de klachtencommissie op 21 december 2025 dat klager afstand doet van zijn klachten over de voorlopige maatregel, de naaktfouille en de BVM.

Ingevolge artikel 153, §3 van de Basiswet maakt klachtafstand een einde aan de beklagprocedure.