KC02/25-0099
Non fondée
Irrecevable
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
TUCHT - GEEN BESLISSING DIRECTEUR
De klacht is gericht tegen:
- de tuchtbeslissing van 8 juni 2025, en
- het gegeven dat klager zou worden geviseerd door beambten en de directie.
- Wat betreft de tuchtbeslissing
Het RAD beschrijft dat de directeur een melding krijgt van de advocaat van [S. Y.]. Zijn cliënt zou verwondingen hebben opgelopen (een rood oog en kapotte voortanden) door een incident op cel. Nadat een beambte polshoogte is gaan nemen bij [S. Y.], wordt deze uitgenodigd bij de directie. Het slachtoffer identificeert klager als de persoon van wie hij slagen heeft gekregen, en verklaart dat de link tussen hen beiden in de buitenwereld de aanleiding was voor het incident. [S. Y.] werd verzorgd door de medische dienst.
Naar aanleiding van deze melding en RAD werd de tuchtprocedure opgestart voor de tuchtinbreuken ‘de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ en ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’.
Klager ontkent stellig dat hij iets met de feiten te maken heeft.
De klachtencommissie meent dat het RAD, dat werd ondertekend door twee beambten, duidelijk is en dat de directie de feiten op basis van de verklaringen van het slachtoffer en het RAD, bewezen kon achten. Klager bracht tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting of in zijn klacht geen argumenten aan die doen twijfelen aan de vaststellingen. Dat de directie geen getuigen heeft opgeroepen, kan haar niet verweten worden: wanneer zij meent dat de weergave van de feiten in het RAD voldoende duidelijk is om feiten als bewezen te verklaren, is ze niet verplicht om verdere onderzoeksdaden uit te voeren. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt bovendien niet dat klager hierom verzocht heeft.
De directie heeft haar beslissing afdoende gemotiveerd.
De sanctie van 30 dagen ATV is dan wettig, niet onredelijk of onbillijk, gelet op de ernst van de feiten.
Om deze reden is de klacht niet gegrond.
- Wat betreft de klacht over beambten en directie
Klager beschrijft in zijn klacht een incident met een beambte, waarbij hij achteraf, tijdens zijn gesprek met de directie en aan beambten op de gang, om een klachtenformulier vroeg. Hij zou dit niet hebben gekregen en voelt zich sindsdien geviseerd door meerdere beambten en de directie.
Uit het verweer van de directie blijkt dat het incident waar klager naar verwijst, dateert van 29 mei. Klager zou zijn cel tijdens een technisch defect hebben verlaten en de beambte hebben geduwd. Klager werd hiervoor bij de directie geroepen maar hier werd – zo blijkt uit het dossier – geen verder gevolg aan gegeven. Klager beweert sindsdien geviseerd te worden door de beambten en de directie.
De klachtencommissie kan uit de klacht van klager geen beslissing van de directeur ontwaren. Klager maakt het in zijn klacht niet aannemelijk dat hij door de beambten en/of de directie wordt geviseerd en dat hij dit heeft aangekaart, waardoor er geen sprake lijkt te zijn van een verzuim om een beslissing te nemen. Bovendien blijkt evenmin uit het dossier dat er een verband bestaat tussen het incident van 29 mei en de tuchtbeslissing van 7 juni.
De klacht is bijgevolg kennelijk niet-ontvankelijk.
De klacht is gericht tegen:
- de tuchtbeslissing van 8 juni 2025, en
- het gegeven dat klager zou worden geviseerd door beambten en de directie.
- Wat betreft de tuchtbeslissing
Het RAD beschrijft dat de directeur een melding krijgt van de advocaat van [S. Y.]. Zijn cliënt zou verwondingen hebben opgelopen (een rood oog en kapotte voortanden) door een incident op cel. Nadat een beambte polshoogte is gaan nemen bij [S. Y.], wordt deze uitgenodigd bij de directie. Het slachtoffer identificeert klager als de persoon van wie hij slagen heeft gekregen, en verklaart dat de link tussen hen beiden in de buitenwereld de aanleiding was voor het incident. [S. Y.] werd verzorgd door de medische dienst.
Naar aanleiding van deze melding en RAD werd de tuchtprocedure opgestart voor de tuchtinbreuken ‘de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ en ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’.
Klager ontkent stellig dat hij iets met de feiten te maken heeft.
De klachtencommissie meent dat het RAD, dat werd ondertekend door twee beambten, duidelijk is en dat de directie de feiten op basis van de verklaringen van het slachtoffer en het RAD, bewezen kon achten. Klager bracht tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting of in zijn klacht geen argumenten aan die doen twijfelen aan de vaststellingen. Dat de directie geen getuigen heeft opgeroepen, kan haar niet verweten worden: wanneer zij meent dat de weergave van de feiten in het RAD voldoende duidelijk is om feiten als bewezen te verklaren, is ze niet verplicht om verdere onderzoeksdaden uit te voeren. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt bovendien niet dat klager hierom verzocht heeft.
De directie heeft haar beslissing afdoende gemotiveerd.
De sanctie van 30 dagen ATV is dan wettig, niet onredelijk of onbillijk, gelet op de ernst van de feiten.
Om deze reden is de klacht niet gegrond.
- Wat betreft de klacht over beambten en directie
Klager beschrijft in zijn klacht een incident met een beambte, waarbij hij achteraf, tijdens zijn gesprek met de directie en aan beambten op de gang, om een klachtenformulier vroeg. Hij zou dit niet hebben gekregen en voelt zich sindsdien geviseerd door meerdere beambten en de directie.
Uit het verweer van de directie blijkt dat het incident waar klager naar verwijst, dateert van 29 mei. Klager zou zijn cel tijdens een technisch defect hebben verlaten en de beambte hebben geduwd. Klager werd hiervoor bij de directie geroepen maar hier werd – zo blijkt uit het dossier – geen verder gevolg aan gegeven. Klager beweert sindsdien geviseerd te worden door de beambten en de directie.
De klachtencommissie kan uit de klacht van klager geen beslissing van de directeur ontwaren. Klager maakt het in zijn klacht niet aannemelijk dat hij door de beambten en/of de directie wordt geviseerd en dat hij dit heeft aangekaart, waardoor er geen sprake lijkt te zijn van een verzuim om een beslissing te nemen. Bovendien blijkt evenmin uit het dossier dat er een verband bestaat tussen het incident van 29 mei en de tuchtbeslissing van 7 juni.
De klacht is bijgevolg kennelijk niet-ontvankelijk.