KC02/25-0007
Fondée
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Disciplinaire
Mesure d'ordre
TUCHT - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - ZORGVULDIGHEIDSPLICHT - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - MOTIVERING
De klacht is tweeledig en betreft:
- een tuchtbeslissing van 19 januari 2025;
- een ordemaatregel van 21 januari 2025.
Beide beslissingen werden genomen door de gevangenisdirectie van Antwerpen.
Wat betreft de klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing:
Klager werd schuldig bevonden aan de volgende tuchtinbreuken:
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen;
- de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee.
De feiten die in de betrokken tuchtbeslissing waren opgenomen, werden bewezen geacht op basis van het RAD van 17 januari 2025.
Het betrokken RAD werd door één beambte opgesteld en vermeldt duidelijk dat er geen enkel personeelslid getuige was van de feiten. Het is aldus gebaseerd op ‘hearsay’. Wel heeft de betrokken beambte het slachtoffer, zijn celgenoot en klager na het voorval bij zich geroepen en hun verklaringen genoteerd. Het slachtoffer en zijn celgenoot beweerden beiden dat klager geslagen had, terwijl klager dit ontkende. Bij het slachtoffer kon een letsel in het gezicht worden vastgesteld. Bovendien oogde het slachtoffer duidelijk angstig tegenover klager.
In het RAD heeft de beambte aldus geconcludeerd dat het slachtoffer een slag in het gezicht heeft gekregen van klager. Klager ontkende tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij het slachtoffer een slag zou hebben gegeven en gaf aan dat het slachtoffer zichzelf verwond zou hebben. Daarnaast bleef hij aandringen op het feit om zijn eigen celgenoot als getuige op te roepen. De klachtencommissie is van oordeel dat klager onvoldoende elementen opwerpt, die twijfel doen ontstaan over het RAD.
In zijn klachtenformulier meldt klager bijkomend dat de celgenoot van het slachtoffer een valse getuigenis afgelegd zou hebben. De klachtencommissie vraagt zich af waarom klager dit niet reeds voor of tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft aangemerkt. In dat geval had de directie deze persoon op de tuchtrechtelijke
hoorzitting als officiële getuige kunnen oproepen, zodat klager de getuigenis eveneens kon tegenspreken. Het feit dat klager dit element echter pas voor de eerste keer in zijn klachtenformulier heeft aangebracht, doet de klachtencommissie geloven dat de directie hier niet eerder van op de hoogte was. De klachtencommissie oordeelt dat de directie zich dus wel terecht kon steunen op de verklaring van de celgenoot, welke overeenkwam met de verklaring van het slachtoffer zelf.
De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de directie op basis van haar zorgvuldigheidsplicht correct gehandeld heeft. Rekening houdende met de opgenomen verklaringen in het RAD, de verwondingen bij het slachtoffer en de vreemde uitleg van klager over de oorzaak hiervan, kon de aanwezigheid van de tuchtinbreuk in hoofde van klager als aannemelijk worden beschouwd. De directie kon er redelijkerwijze van uitgaan dat dat de feiten hebben plaatsgevonden, alsook dat deze toerekenbaar zijn aan klager.
De korte duur van de ATV sanctie wordt ook billijk geacht, gelet op de afwezigheid van eerdere tuchtinbreuken in hoofde van klager.
De tuchtbeslissing is aldus wettig. De klacht is ongegrond.
Wat betreft de klacht met betrekking tot de ordemaatregel (tot afzetting van werk):
Op grond van een meldingsverslag heeft de directie beslist om klager van zijn werk af te zetten, via de oplegging van een ordemaatregel.
Een mogelijke reden voor de afzetting van werk is dat de gedetineerde niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. Uit de beslissing van de ordemaatregel kan de klachtencommissie afleiden dat de directie zich op deze reden gebaseerd heeft. De ordemaatregel stelt dat samenwerking met 2 anderen op de sectie niet meer mogelijk was. Uit het meldingsverslag blijkt echter dat er spanningen zouden zijn tussen klager en de reservefatik, met name omdat de gemoederen door een eerder geschil hoog waren opgelopen.
De klachtencommissie is van oordeel dat in de motivering van de beslissing niet voldoende verduidelijkt wordt waarom klager niet langer als “geschikt” wordt beschouwd. Hoewel de samenwerking met de betrokken collega effectief bemoeilijkt was door spanningen en een eerder geschil, is er nergens melding gemaakt van een algemeen probleem van klager in het ‘samenwerken met anderen’. De maatregel wordt eerder gemotiveerd als een oplossing om de gemoederen te bedaren en om de ‘rust te doen wederkeren’. De motivering is aldus beperkt. Daarnaast acht de klachtencommissie het evenmin onbillijk dat klager omwille van de beschreven
‘spanningen’ ongeschikt werd bevonden, met name gelet op de oorzaak van deze spanningen. Klager zou geweigerd hebben om verboden handelingen voor de reservefatiek uit te voeren. Hij werd aldus de dupe van een situatie waarop hij correct gereageerd had.
De klachtencommissie merkt ten slotte op dat de directie in haar motivering van de beslissing expliciet naar de recent opgelegde tuchtsanctie verwijst. Hierdoor lijkt de maatregel een aanvulling op de tuchtsanctie te zijn, waardoor deze een bestraffend karakter krijgt en beschouwd dient te worden als een verdoken tuchtbeslissing.De maatregel is in die zin onwettig, aangezien de wettelijke waarborgen (bv. in het kader van de duurtijd van de sanctie) die gelden voor tuchtbeslissingen niet werden nageleefd. Daarnaast werd klager evenmin gehoord voordat de maatregel hem opgelegd werd. De klachtencommissie acht de beslissing tot ordemaatregel aldus onwettig en onbillijk. Dit deel van de klacht is gegrond.
De klacht is tweeledig en betreft:
- een tuchtbeslissing van 19 januari 2025;
- een ordemaatregel van 21 januari 2025.
Beide beslissingen werden genomen door de gevangenisdirectie van Antwerpen.
Wat betreft de klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing:
Klager werd schuldig bevonden aan de volgende tuchtinbreuken:
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen;
- de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee.
De feiten die in de betrokken tuchtbeslissing waren opgenomen, werden bewezen geacht op basis van het RAD van 17 januari 2025.
Het betrokken RAD werd door één beambte opgesteld en vermeldt duidelijk dat er geen enkel personeelslid getuige was van de feiten. Het is aldus gebaseerd op ‘hearsay’. Wel heeft de betrokken beambte het slachtoffer, zijn celgenoot en klager na het voorval bij zich geroepen en hun verklaringen genoteerd. Het slachtoffer en zijn celgenoot beweerden beiden dat klager geslagen had, terwijl klager dit ontkende. Bij het slachtoffer kon een letsel in het gezicht worden vastgesteld. Bovendien oogde het slachtoffer duidelijk angstig tegenover klager.
In het RAD heeft de beambte aldus geconcludeerd dat het slachtoffer een slag in het gezicht heeft gekregen van klager. Klager ontkende tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij het slachtoffer een slag zou hebben gegeven en gaf aan dat het slachtoffer zichzelf verwond zou hebben. Daarnaast bleef hij aandringen op het feit om zijn eigen celgenoot als getuige op te roepen. De klachtencommissie is van oordeel dat klager onvoldoende elementen opwerpt, die twijfel doen ontstaan over het RAD.
In zijn klachtenformulier meldt klager bijkomend dat de celgenoot van het slachtoffer een valse getuigenis afgelegd zou hebben. De klachtencommissie vraagt zich af waarom klager dit niet reeds voor of tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft aangemerkt. In dat geval had de directie deze persoon op de tuchtrechtelijke
hoorzitting als officiële getuige kunnen oproepen, zodat klager de getuigenis eveneens kon tegenspreken. Het feit dat klager dit element echter pas voor de eerste keer in zijn klachtenformulier heeft aangebracht, doet de klachtencommissie geloven dat de directie hier niet eerder van op de hoogte was. De klachtencommissie oordeelt dat de directie zich dus wel terecht kon steunen op de verklaring van de celgenoot, welke overeenkwam met de verklaring van het slachtoffer zelf.
De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de directie op basis van haar zorgvuldigheidsplicht correct gehandeld heeft. Rekening houdende met de opgenomen verklaringen in het RAD, de verwondingen bij het slachtoffer en de vreemde uitleg van klager over de oorzaak hiervan, kon de aanwezigheid van de tuchtinbreuk in hoofde van klager als aannemelijk worden beschouwd. De directie kon er redelijkerwijze van uitgaan dat dat de feiten hebben plaatsgevonden, alsook dat deze toerekenbaar zijn aan klager.
De korte duur van de ATV sanctie wordt ook billijk geacht, gelet op de afwezigheid van eerdere tuchtinbreuken in hoofde van klager.
De tuchtbeslissing is aldus wettig. De klacht is ongegrond.
Wat betreft de klacht met betrekking tot de ordemaatregel (tot afzetting van werk):
Op grond van een meldingsverslag heeft de directie beslist om klager van zijn werk af te zetten, via de oplegging van een ordemaatregel.
Een mogelijke reden voor de afzetting van werk is dat de gedetineerde niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. Uit de beslissing van de ordemaatregel kan de klachtencommissie afleiden dat de directie zich op deze reden gebaseerd heeft. De ordemaatregel stelt dat samenwerking met 2 anderen op de sectie niet meer mogelijk was. Uit het meldingsverslag blijkt echter dat er spanningen zouden zijn tussen klager en de reservefatik, met name omdat de gemoederen door een eerder geschil hoog waren opgelopen.
De klachtencommissie is van oordeel dat in de motivering van de beslissing niet voldoende verduidelijkt wordt waarom klager niet langer als “geschikt” wordt beschouwd. Hoewel de samenwerking met de betrokken collega effectief bemoeilijkt was door spanningen en een eerder geschil, is er nergens melding gemaakt van een algemeen probleem van klager in het ‘samenwerken met anderen’. De maatregel wordt eerder gemotiveerd als een oplossing om de gemoederen te bedaren en om de ‘rust te doen wederkeren’. De motivering is aldus beperkt. Daarnaast acht de klachtencommissie het evenmin onbillijk dat klager omwille van de beschreven
‘spanningen’ ongeschikt werd bevonden, met name gelet op de oorzaak van deze spanningen. Klager zou geweigerd hebben om verboden handelingen voor de reservefatiek uit te voeren. Hij werd aldus de dupe van een situatie waarop hij correct gereageerd had.
De klachtencommissie merkt ten slotte op dat de directie in haar motivering van de beslissing expliciet naar de recent opgelegde tuchtsanctie verwijst. Hierdoor lijkt de maatregel een aanvulling op de tuchtsanctie te zijn, waardoor deze een bestraffend karakter krijgt en beschouwd dient te worden als een verdoken tuchtbeslissing.De maatregel is in die zin onwettig, aangezien de wettelijke waarborgen (bv. in het kader van de duurtijd van de sanctie) die gelden voor tuchtbeslissingen niet werden nageleefd. Daarnaast werd klager evenmin gehoord voordat de maatregel hem opgelegd werd. De klachtencommissie acht de beslissing tot ordemaatregel aldus onwettig en onbillijk. Dit deel van de klacht is gegrond.