KC02/24-0266
Fondée
Compensation
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - GEÏNTERNEERD - TEGEMOETKOMING
De klacht is gericht tegen “tucht”. Klager stelt dat er schriftvervalsing gebeurt op zijn naam en dat hij daarvoor tucht krijgt. Volgens klager doet de directie er niets aan. Hoewel klager zelf spreekt van een “tucht”, is de klacht duidelijk gericht tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM). Dit wordt ook door de directie niet betwist. Klager werd op 27 september 2024 reeds onder een bijzondere veiligheidsmaatregel geplaatst (hierna: “BVM 1”). De klacht is gericht tegen de verlenging van BVM 1 van 4 oktober 2024 (hierna: “BVM 2”).
De directie verwijst in de beslissing tot het opleggen van BVM 2 naar drie incidenten: Het eerste vond plaats op 27 september 2024 en was de aanleiding voor het opleggen van BVM 1. Klager werd toen overgebracht naar de medische dienst omdat hij zichzelf in de arm had gesneden. Het tweede incident van 2 oktober 2024 beschrijft hoe klager twee kantinebladen laat zien. Daaruit bleek volgens klager dat zijn toenmalige celgenoot schriftvervalsing had gepleegd. Klager overwoog om klacht tegen hem in te dienen via zijn raadsman. Het derde incident vond plaats op 3 oktober 2024. Klager zou toen zijn beklag hebben gedaan over het feit dat de directie hem na een week nog steeds niet had opgeroepen. De PBA maakte hem duidelijk dat hij geduld moest hebben en wilde de deur sluiten. Klager zou toen de deur opnieuw open hebben geduwd zodat deze met veel kracht tegen de arm van de PBA sloeg. Toen de PBA hem zei dat die actie niet aanvaardbaar was, zou klager zijn beginnen roepen, schelden en dreigen.
In de motivering van de beslissing verwijst de directie naar het feit dat klager aan automutilatie doet en dat hij dreigend overkomt naar zijn ex-celgenoot. Met betrekking tot de automutilatie, is er enkel het eerste incident dat geleid heeft tot BVM 1. De directie geeft niet aan waarom dit risico voor de veiligheid van klager nog steeds van toepassing is na een week onder de BVM.
Ten tweede verwijst de directie naar een conflict met een ex-celgenoot. Het is de klachtencommissie niet duidelijk waarom een BVM tot uitsluiting van alle gemeenschappelijke activiteiten én een plaatsing in de beveiligde cel opgelegd moet worden wanneer iemand mogelijk een conflict heeft met zijn ex-celgenoot. Uit de beslissing blijkt nergens dat klager de intentie heeft om agressief te worden tegen deze celgenoot. Bovendien blijkt uit het verslag van de hoorzitting dat klager op 4 oktober is gaan wandelen en dat dit geen problemen opleverde. Klager bevestigt ook ter zitting dat hij rustig gaat blijven. De directie moet motiveren waarom zij van oordeel is dat er ernstige aanwijzingen zijn van een gevaar voor de orde of de veiligheid, hetgeen voor de klachtencommissie onvoldoende blijkt uit de motivering van de BVM. De bijzondere veiligheidsmaatregel moet bovendien evenredig zijn aan de bedreiging en van die aard zijn dat hij ze verhelpt, hetgeen volgens de klachtencommissie ook niet het geval is.
Tot slot betreft het derde incident een feit dat op het eerste zicht als een tuchtrechtelijke inbreuk kan worden gekwalificeerd. De directie spreekt immers van agressief gedrag. In het meldingsverslag van 3 oktober 2024 gaat het over roepen, schelden en dreigen. De directie heeft ook in voorliggend dossier geen motivering gegeven waarom ze het derde incident heeft aangegrepen om over te gaan tot het verlengen van de bijzondere veiligheidsmaatregel en geen tuchtprocedure heeft opgestart.
Om alle bovenstaande redenen is de klacht gegrond. De beslissing van de directie van de gevangenis waarbij een bijzondere veiligheidsmaatregel (“BVM”) ten aanzien van klager verlengd werd, voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden. Gezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden (klager verbleef 7 dagen onder deze BVM) kent de klachtencommissie - na het standpunt van de partijen hierover ter zitting te hebben gehoord - aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 1x soep + 4x chips + 1x limonade, door klager te kiezen uit het in de gevangenis beschikbare kantine-aanbod.
De klacht is gericht tegen “tucht”. Klager stelt dat er schriftvervalsing gebeurt op zijn naam en dat hij daarvoor tucht krijgt. Volgens klager doet de directie er niets aan. Hoewel klager zelf spreekt van een “tucht”, is de klacht duidelijk gericht tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM). Dit wordt ook door de directie niet betwist. Klager werd op 27 september 2024 reeds onder een bijzondere veiligheidsmaatregel geplaatst (hierna: “BVM 1”). De klacht is gericht tegen de verlenging van BVM 1 van 4 oktober 2024 (hierna: “BVM 2”).
De directie verwijst in de beslissing tot het opleggen van BVM 2 naar drie incidenten: Het eerste vond plaats op 27 september 2024 en was de aanleiding voor het opleggen van BVM 1. Klager werd toen overgebracht naar de medische dienst omdat hij zichzelf in de arm had gesneden. Het tweede incident van 2 oktober 2024 beschrijft hoe klager twee kantinebladen laat zien. Daaruit bleek volgens klager dat zijn toenmalige celgenoot schriftvervalsing had gepleegd. Klager overwoog om klacht tegen hem in te dienen via zijn raadsman. Het derde incident vond plaats op 3 oktober 2024. Klager zou toen zijn beklag hebben gedaan over het feit dat de directie hem na een week nog steeds niet had opgeroepen. De PBA maakte hem duidelijk dat hij geduld moest hebben en wilde de deur sluiten. Klager zou toen de deur opnieuw open hebben geduwd zodat deze met veel kracht tegen de arm van de PBA sloeg. Toen de PBA hem zei dat die actie niet aanvaardbaar was, zou klager zijn beginnen roepen, schelden en dreigen.
In de motivering van de beslissing verwijst de directie naar het feit dat klager aan automutilatie doet en dat hij dreigend overkomt naar zijn ex-celgenoot. Met betrekking tot de automutilatie, is er enkel het eerste incident dat geleid heeft tot BVM 1. De directie geeft niet aan waarom dit risico voor de veiligheid van klager nog steeds van toepassing is na een week onder de BVM.
Ten tweede verwijst de directie naar een conflict met een ex-celgenoot. Het is de klachtencommissie niet duidelijk waarom een BVM tot uitsluiting van alle gemeenschappelijke activiteiten én een plaatsing in de beveiligde cel opgelegd moet worden wanneer iemand mogelijk een conflict heeft met zijn ex-celgenoot. Uit de beslissing blijkt nergens dat klager de intentie heeft om agressief te worden tegen deze celgenoot. Bovendien blijkt uit het verslag van de hoorzitting dat klager op 4 oktober is gaan wandelen en dat dit geen problemen opleverde. Klager bevestigt ook ter zitting dat hij rustig gaat blijven. De directie moet motiveren waarom zij van oordeel is dat er ernstige aanwijzingen zijn van een gevaar voor de orde of de veiligheid, hetgeen voor de klachtencommissie onvoldoende blijkt uit de motivering van de BVM. De bijzondere veiligheidsmaatregel moet bovendien evenredig zijn aan de bedreiging en van die aard zijn dat hij ze verhelpt, hetgeen volgens de klachtencommissie ook niet het geval is.
Tot slot betreft het derde incident een feit dat op het eerste zicht als een tuchtrechtelijke inbreuk kan worden gekwalificeerd. De directie spreekt immers van agressief gedrag. In het meldingsverslag van 3 oktober 2024 gaat het over roepen, schelden en dreigen. De directie heeft ook in voorliggend dossier geen motivering gegeven waarom ze het derde incident heeft aangegrepen om over te gaan tot het verlengen van de bijzondere veiligheidsmaatregel en geen tuchtprocedure heeft opgestart.
Om alle bovenstaande redenen is de klacht gegrond. De beslissing van de directie van de gevangenis waarbij een bijzondere veiligheidsmaatregel (“BVM”) ten aanzien van klager verlengd werd, voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden. Gezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden (klager verbleef 7 dagen onder deze BVM) kent de klachtencommissie - na het standpunt van de partijen hierover ter zitting te hebben gehoord - aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 1x soep + 4x chips + 1x limonade, door klager te kiezen uit het in de gevangenis beschikbare kantine-aanbod.