Ga verder naar de inhoud

KC02/24-0212

Non fondée Fondée Compensation Irrecevable KC - Antwerpen Commission des plaintes Mesure provisoire Mesure de sécurité particulière Disciplinaire Mesure d'ordre Fouille à corps
ORDEMAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - BEVOEGDHEID - VOORLOPIGE MAATREGEL - FOUILLE OP HET LICHAAM - TUCHT - TEGEMOETKOMING

De klacht betreft een ordemaatregel, bijzondere veiligheidsmaatregel, voorlopige maatregel, fouillering op het lichaam en tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis.

Wat betreft de ordemaatregel en de bijzondere veiligheidsmaatregel:
De directie heeft aangegeven dat er geen ordemaatregel en geen bijzondere veiligheidsmaatregel werd genomen ten aanzien van klager.
De klacht is niet-ontvankelijk.

Wat betreft de voorlopige maatregel:
De klachtencommissie stelt vast dat de directie niet heeft aangeduid welke situatie volgens haar aan de orde is, nl. ofwel “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”, ofwel “het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid van de gevangenis ernstig in gevaar brengen”. Het is voor de klachtencommissie echter duidelijk dat de situatie die voorhanden was, nl. de fysieke agressie van klager naar een beambte toe, een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uitmaakt.
De motivering van de voorlopige maatregel bevat geen redenen waarom de voorlopige maatregel nodig was en waarom men voor een bepaalde maatregel heeft gekozen. De klachtencommissie beveelt aan om ook in de beslissing aan te geven waarom een voorlopige maatregel nodig
was en waarom men voor een bepaalde maatregel heeft gekozen. Uit het RAD en de motivering van de VM blijkt voor de klachtencommissie echter duidelijk de redenen waarom de directie een voorlopige maatregel heeft opgelegd. De beslissing voldoet aan de vereisten van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

Wat betreft de fouille op het lichaam:
De motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam stelt dat deze plaatsvond om te controleren of klager in het bezit is van scherpe voorwerpen voorafgaand aan zijn plaatsing in de strafcel. De klachtencommissie wijst erop dat een loutere plaatsing in de strafcel geen voldoende reden is om een fouillering op het lichaam op te leggen. De bepaling daarover uit artikel 108 van de Basiswet werd om deze reden ook vernietigd door het Grondwettelijk Hof. Het Hof stelde daarbij duidelijk dat “het verboden is om de fouillering op het lichaam stelselmatig op te leggen in welbepaalde omstandigheden zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft.” In de rapporten en de tuchtbeslissing die aanleiding gaven tot de plaatsing in de strafcel, werd op geen enkele manier gesproken over scherpe voorwerpen. De klachtencommissie ziet geen enkele aanwijzing in het gedrag van klager waarom klager scherpe voorwerpen verstopt zou hebben op het
lichaam voorafgaand aan zijn plaatsing in de strafcel. De beslissing tot fouillering op het lichaam voldoet niet aan de vereisten van de Basiswet.
Om deze redenen is de klacht gegrond.

Wat betreft de tuchtbeslissing:
Het dossier bevat twee rapporten aan de directeur (RAD). Naar aanleiding van het eerste RAD werd de tuchtprocedure opgestart voor de tuchtinbreuk “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”. Het tweede RAD werd toegevoegd aan de reeds opgestarte tuchtprocedure. Op dit tweede RAD werd door de directeur genoteerd dat het gaat om de tuchtinbreuken “de opzettelijke aantasting van
de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” en “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”. Er werd echter geen nieuwe mededeling van opstart tuchtprocedure opgesteld, zoals vereist door artikel 144, §3 van de Basiswet. De tuchtinbreuk “de
opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” werd ook niet opgenomen op de tuchtbeslissing, hoewel de directie hier wel naar lijkt te verwijzen in de motivering van de tuchtbeslissing. De procedure werd niet correct gevolgd, met deze tuchtinbreuk kan dan ook geen rekening gehouden worden. Wat betreft de tuchtinbreuk “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”, zijn de twee RAD’s duidelijk. De tuchtbeslissing werd voor deze tuchtinbreuk afdoende gemotiveerd.

Het betreft een tuchtinbreuk van de tweede categorie waarvoor een maximum van 3 dagen verblijf in de strafcel kan worden opgelegd. De sanctie van 4 dagen verblijf in de strafcel is onwettig. Om deze redenen is de klacht gedeeltelijk gegrond.

De klachtencommissie kent één extra familiaal bezoek en € 10 extra belkrediet toe als tegemoetkomingen voor respectievelijk de vernietigde tuchtbeslissing en de vernietigde fouillering op het lichaam.