KC02/24-0166
Non fondée
Fondée
Compensation
Irrecevable
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
Fouille à corps
GEEN BESLISSING VAN DE DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - TUCHT - FOUILLE OP HET LICHAAM - MOTIVERING - VERBODEN SUBSTANTIES - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - KLEDIJ - ONGESTOORD BEZOEK - TEGEMOETKOMING
De klacht betreft: de beslissing tot fouillering op het lichaam van de directie; de tuchtbeslissing van de directie; het toekennen van ongestoord bezoek; de verloren kledij; in de gevangenis.
Wat betreft de fouillering op het lichaam:
De motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam stelt dat de directie een tip kreeg waaruit blijkt dat klager bepaalde goederen zou binnensmokkelen tijdens het bezoek. De tip werd
vastgelegd in het rapport aan de directeur (RAD). Daarin beschrijft een beambte hoe klager uit zijn celraam antwoordde op de vraag van iemand, “dat hij morgen tijdens zijn bezoek slaapmiddel en nog iets anders zou binnenkrijgen, en dat hij momenteel zelf amper nog iets in zijnbezit had”. Het betreft volgens de klachtencommissie een voldoende individuele aanwijzing om over te gaan tot een fouillering. De beslissing motiveert verder waarom een fouillering aan de kledij niet volstaat. De procedure werd voor het overige correct gevolgd. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Op basis van het RAD werd de tuchtprocedure opgestart voor de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Klager wordt gesanctioneerd voor een poging tot het plegen van deze tuchtinbreuk. De poging tot het plegen van een tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf.
De klachtencommissie is van oordeel dat een loutere intentie niet hetzelfde is als een daad van uitvoering. De directie legt geen bewijs voor waaruit blijkt dat klager deze intentie ook heeft veruitwendigd. De poging tot het plegen van de tuchtinbreuk is ten eerste dan ook onvoldoende bewezen. De klachtencommissie stelt ten tweede vast dat de tuchtinbreuk werd gekwalificeerd als “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Deze tuchtinbreuk is echter voorbehouden voor voorwerpen of substanties die ook in de vrije samenleving
verboden zijn, zoals drugs en wapens. Het bezit van of de handel in niet-voorgeschreven medicatie, zoals slaapmedicatie, kan enkel gesanctioneerd worden als een inbreuk op het huishoudelijk reglement (HHR) van de gevangenis, met name de bepalingen over het bezit van voorwerpen. Het HHR stelt immers dat enkel voorgeschreven medicatie toegelaten is.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie kent daarom één extra familiaal bezoek toe als tegemoetkoming.
Wat betreft het ongestoord bezoek:
De klacht is verder ook gericht tegen het feit dat klager reeds meerdere weken een datum vroeg voor zijn ongestoord bezoek. De directie stelt in haar verweer dat klager de procedure voor
toekenning ongestoord bezoek nog moest doorlopen. Bovendien kon hij tijdens zijn tuchtsanctie geen ongestoord bezoek krijgen. De klachtencommissie stelt vast dat er geen beslissing door de directie genomen werd om aan klager ongestoord bezoek te weigeren. De klachtencommissie stelt bovendien ook vast dat de directie niet heeft verzuimd om aan klager een ongestoord bezoek toe te kennen. Integendeel, twee dagen na de klacht heeft klager ongestoord bezoek ontvangen.
De klacht is niet-ontvankelijk.
Wat betreft de verloren geraakte kledij:
De klacht is ten slotte gericht tegen het feit dat er kledij van klager verloren is gegaan. Het loutere feit dat dit gebeurd is, betreft geen beslissing van de directie. Er is dan ook geen sprake van een verzuim van de directie om een beslissing te nemen. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klacht betreft: de beslissing tot fouillering op het lichaam van de directie; de tuchtbeslissing van de directie; het toekennen van ongestoord bezoek; de verloren kledij; in de gevangenis.
Wat betreft de fouillering op het lichaam:
De motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam stelt dat de directie een tip kreeg waaruit blijkt dat klager bepaalde goederen zou binnensmokkelen tijdens het bezoek. De tip werd
vastgelegd in het rapport aan de directeur (RAD). Daarin beschrijft een beambte hoe klager uit zijn celraam antwoordde op de vraag van iemand, “dat hij morgen tijdens zijn bezoek slaapmiddel en nog iets anders zou binnenkrijgen, en dat hij momenteel zelf amper nog iets in zijnbezit had”. Het betreft volgens de klachtencommissie een voldoende individuele aanwijzing om over te gaan tot een fouillering. De beslissing motiveert verder waarom een fouillering aan de kledij niet volstaat. De procedure werd voor het overige correct gevolgd. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Op basis van het RAD werd de tuchtprocedure opgestart voor de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Klager wordt gesanctioneerd voor een poging tot het plegen van deze tuchtinbreuk. De poging tot het plegen van een tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf.
De klachtencommissie is van oordeel dat een loutere intentie niet hetzelfde is als een daad van uitvoering. De directie legt geen bewijs voor waaruit blijkt dat klager deze intentie ook heeft veruitwendigd. De poging tot het plegen van de tuchtinbreuk is ten eerste dan ook onvoldoende bewezen. De klachtencommissie stelt ten tweede vast dat de tuchtinbreuk werd gekwalificeerd als “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Deze tuchtinbreuk is echter voorbehouden voor voorwerpen of substanties die ook in de vrije samenleving
verboden zijn, zoals drugs en wapens. Het bezit van of de handel in niet-voorgeschreven medicatie, zoals slaapmedicatie, kan enkel gesanctioneerd worden als een inbreuk op het huishoudelijk reglement (HHR) van de gevangenis, met name de bepalingen over het bezit van voorwerpen. Het HHR stelt immers dat enkel voorgeschreven medicatie toegelaten is.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie kent daarom één extra familiaal bezoek toe als tegemoetkoming.
Wat betreft het ongestoord bezoek:
De klacht is verder ook gericht tegen het feit dat klager reeds meerdere weken een datum vroeg voor zijn ongestoord bezoek. De directie stelt in haar verweer dat klager de procedure voor
toekenning ongestoord bezoek nog moest doorlopen. Bovendien kon hij tijdens zijn tuchtsanctie geen ongestoord bezoek krijgen. De klachtencommissie stelt vast dat er geen beslissing door de directie genomen werd om aan klager ongestoord bezoek te weigeren. De klachtencommissie stelt bovendien ook vast dat de directie niet heeft verzuimd om aan klager een ongestoord bezoek toe te kennen. Integendeel, twee dagen na de klacht heeft klager ongestoord bezoek ontvangen.
De klacht is niet-ontvankelijk.
Wat betreft de verloren geraakte kledij:
De klacht is ten slotte gericht tegen het feit dat er kledij van klager verloren is gegaan. Het loutere feit dat dit gebeurd is, betreft geen beslissing van de directie. Er is dan ook geen sprake van een verzuim van de directie om een beslissing te nemen. De klacht is niet-ontvankelijk.