Ga verder naar de inhoud

KC02/24-0138

Non fondée Fondée Irrecevable KC - Antwerpen Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING VAN DE DIRECTEUR - MEDISCH - BEVOEGDHEID - VOORLOPIGE MAATREGEL - BEVEILIGDE CEL - TUCHT

De klacht betreft een medische beslissingen, de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel en de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis.

Wat betreft de medische problemen:
Klager stelt dat ze onvoldoende medische zorg krijgt in de gevangenis. De medische beslissingen zijn de exclusieve bevoegdheid van de arts, de directie komt hier niet in tussen. De klacht is niet-ontvankelijk.


Wat betreft de voorlopige maatregel:
De voorlopige maatregel (VM) werd opgelegd naar aanleiding van de feiten die beschreven worden in het rapport aan de directeur (RAD). Daarin wordt beschreven hoe klager en haar celgenote aan het vechten waren. Klager zou daarbij haar celgenote aan het steken geweest zijn met een zwarte pincet. De klachtencommissie begrijpt waarom de directie dit ziet als een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” waarvoor zij een voorlopige maatregel wenst op te leggen.

De voorlopige maatregel wordt enkel gemotiveerd door het RAD te copy-pasten. Een dergelijke motivering beschrijft de feiten, maar motiveert niet waarom er volgens de directie sprake is van een ‘ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’. Bovendien wordt niet gemotiveerd waarom een VM nodig was en waarom gekozen werd voor de maatregel tot plaatsing in de naakte cel. Gelet op de ernst van die maatregel, zou dit toch minstens gemotiveerd moeten zijn. De directie verzuimt dus aan haar motiveringsplicht in het kader van artikel 8 van de Basiswet door niet te motiveren waarom de voorlopige maatregel noodzakelijk is en waarom ze voor die bepaalde maatregel kiest.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel.


Wat betreft de tuchtbeslissing:
Op basis van het RAD (zie boven) werd de tuchtprocedure opgestart voor de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de feiten bewezen kon achten op basis van het duidelijke RAD. Klager stelt in haar klacht verder nog dat enkel haar celgenote werd verhoord. Uit het dossier blijkt echter dat klager eveneens werd opgeroepen, maar dat zij niet wenste te komen. Het kan aan de directie vervolgens niet verweten worden dat enkel de celgenote gehoord werd.

Klager stelt in haar klacht ten slotte nog dat de verkeerde advocaat werd opgeroepen en dat deze de feiten niet kende. De klachtencommissie stelt ten eerste vast dat de advocaat die verscheen op de tuchtrechtelijke hoorzitting wel degelijk de advocaat was die vermeld stond op de mededeling tot opstart tuchtprocedure. Wat betreft de kennis van de feiten en de vertegenwoordiging van klager door haar advocaat, is het niet aan de klachtencommissie om hierover uitspraak te doen. Het betreft een kwestie tussen de cliënt en haar advocaat. De klachtencommissie stelt enkel vast dat de tuchtprocedure correct gevolgd werd door de directie.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.