Ga verder naar de inhoud

KC02/24-0011

Fondée KC - Antwerpen Commission des plaintes Mesure de sécurité particulière
FOUILLERING OP HET LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
De klacht is ten eerste gericht tegen de fouillering op het lichaam. Deze werd echter laattijdig ingediend. De klachtencommissie ziet verder geen omstandigheden die erop wijzen dat klager de klacht zo spoedig mogelijk heeft ingediend als redelijkerwijs van haar verlangd kon worden. De klacht tegen de fouillering op het lichaam is niet-ontvankelijk.

De klacht is ten tweede gericht tegen de voorlopige maatregel. De directie motiveert de VM door opeenstapeling van kleinere feiten en vaststellingen die op zichzelf niet geleid hebben tot een maatregel, maar die samengenomen wel een maatregel noodzaken volgens de directie. In de voorlopige maatregel heeft de directie zowel de “ernstige aantasting van de interne veiligheid” als het “gevaar voor de orde of de veiligheid” gemotiveerd. De directie moet echter kiezen welke situatie volgens haar van toepassing is en motiveren waarom dit zo is. Door beide situaties te motiveren, schendt de directie het formele motiveringsbeginsel.

Daarnaast stelt de klachtencommissie vast dat de voorlopige maatregel niet bepaalt welke activiteiten worden uitgesloten. Deze bevat enkel de handgeschreven vermelding "ind. reg." (individueel regime). De klachtencommissie stelt dat de reikwijdte van de beslissing niet duidelijk is voor de gedetineerde wanneer de maatregelen niet duidelijk omschreven worden. Bovendien meent de klachtencommissie dat een individueel regime in feite een dergelijke uitgebreide uitsluiting van gemeenschappelijke activiteiten oplegt, dat het de facto gaat om een verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte. De directie kon ter zitting zelf ook niet het verschil aanwijzen tussen het individueel regime en een verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte. Om dit verplicht verblijf te kunnen opleggen moet er sprake zijn van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De directie heeft niet afdoende gemotiveerd dat er sprake is van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (zie boven). De voorlopige maatregel is daarom onwettig.

De klachtencommissie stelt ten slotte vast dat de voorlopige maatregel niet de te volgen procedure was. De voorlopige maatregel mag immers enkel ingezet worden in het kader van een eventuele tuchtprocedure, niet voorafgaand aan een bijzondere veiligheidsmaatregel. Op het RAD van 6 januari 2024, dat werd opgesteld op quasi exact hetzelfde moment als de VM opgelegd werd, genoteerd: “6.1.24: plannen verhoor BVM”. Hieruit leidt de klachtencommissie af dat de directie steeds een BVM wilde opleggen en geen tucht. In dat geval kan zij ook geen voorlopige maatregel conform artikel 145 van de Basiswet opleggen. Om deze redenen is de klacht tegen de voorlopige maatregel gegrond.

De klacht is ten derde gericht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel die volgde op de voorlopige maatregel. Deze werd opgelegd met verwijzing naar dezelfde drie incidenten. De klachtencommissie is van oordeel dat geen van deze incidenten voldoende bewezen zijn om een BVM op te leggen. Het gevaar voor de orde of de veiligheid is onvoldoende bewezen en gemotiveerd. Bovendien is de opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregel niet proportioneel en wordt onvoldoende gemotiveerd waarom deze maatregel van die aard is dat hij de bedreiging verhelpt.

De klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel is gegrond. zegt dat de directeur, conform artikel 158, §4, eerste lid van de Basiswet, de gevolgen van de vernietigde beslissing ongedaan moet maken. Dit houdt in dat klager zijn job als fatik onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst voor fatik geplaatst te worden.