Ga verder naar de inhoud

KC02/23-0040

Fondée KC - Antwerpen Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - BEWIJS - CAMERABEELDEN - GETUIGE - KWALIFICATIE

Klager ontkent een gsm weggesmeten te hebben. Dit zou worden bevestigd aan de hand van camerabeelden. Bovendien meent hij dat de tuchtbeslissing onwettig is omdat hij niet gefouilleerd werd.

De klachtencommissie heeft kennis genomen van het RAD. De Basiswet bepaalt dat de fouillering op het lichaam enkel mag plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden. Om deze reden werden klager en zijn celgenoten, voorafgaand aan een opgelegde celcontrole, van hun cel gehaald en begeleid naar het bad waar zij elk afzonderlijk onderworpen zouden worden aan een opgedragen naaktfouille. Tijdens deze beweging zagen opsteller en zijn collega hoe klager een zwarte IPhone in de vuilbak smeet ter hoogte van het bureau van de PBA’s. De IPhone was nog actief aangezien er meldingen en oproepen binnenkwamen. Klager werd meteen met deze vaststelling geconfronteerd maar hij ontkende in alle toonaarden. Tijdens de celcontrole werd bovendien nog een oplaadkabel gevonden in het bed waar klager sliep toen zijn cel geopend werd.

De klachtencommissie meent dat dit rapport uitgebreide en gedetailleerde vaststellingen bevat. Bovendien werd klager tijdens de bewuste beweging begeleid door drie beambten hetgeen wordt bevestigd door het RAD en het verweer van de directie en werd het RAD daarenboven ondertekend door een getuige. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting bleef klager ontkennen waardoor de partijen tijdens de zitting de camerabeelden hebben bekeken. Volgens de directie was op de beelden duidelijk zichtbaar dat het wel degelijk klager was die de gsm in de vuilnisbak gooide. Klager bleef desondanks de beelden, ontkennen. Ook over de oplader die in zijn bed werd gevonden, wist hij niets. Tenslotte werd de pba die aanwezig was tijdens de ontdekking, opgeroepen als getuige en bevestigde deze nogmaals de vaststellingen uit het RAD. De klachtencommissie is van oordeel dat klager tijdens de tuchthoorzitting geen concrete, noch overtuigende tegenindicaties heeft aangebracht die aantonen dat de vaststellingen van het personeel niet correct zouden zijn. De klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de feiten.

De klachtencommissie is echter van oordeel dat de directeur, op basis van het tuchtdossier, de feiten niet kon kwalificeren als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee. Zowel uit het RAD, als uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting als uit de motivering van de tuchtbeslissing, blijkt immers dat de directie klager wou sanctioneren voor het bezit of het gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken. Bovendien werd in de motivering van de tuchtbeslissing niet vermeld welke bepaling van het huishoudelijk reglement werd geschonden. Een gedetineerde moet nochtans kunnen begrijpen welke motieven de keuze en de maat van de sanctie hebben bepaald. Deze tuchtrechtelijke inbreuk kan bovendien enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. Deze tuchtinbreuk kan niet dienen als een soort van vangnetbepaling. Anders oordelen zou immers strijdig zijn met het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan omschreven door de Basiswet.

Om deze redenen is de klacht gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing in zoverre de feiten gekwalificeerd worden als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee en het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde. De klachtencommissie zegt dat, in toepassing van artikel 158, §3, 2° van de Basiswet, haar uitspraak in de plaats treedt en de feiten gekwalificeerd dienen te worden als het bezit of het gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken.

Deze gedeeltelijke vernietiging en herkwalificatie hebben weliswaar geen invloed op de wettelijk toegestane maximum sanctie. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van 25 dagen ATV in casu wettig was. De klachtencommissie meent bovendien dat de tuchtsanctie niet onredelijk of onbillijk was.