KC02/23-0017
Fondée
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Mesure de sécurité particulière
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
De klacht is ten eerste gericht tegen de fouillering op het lichaam. De beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam werd bevolen naar aanleiding van een rapport. De opsteller van het RAD had klager geïdentificeerd als één van de gedetineerden die actief had deelgenomen aan het oprapen, doorgeven en uitdelen van overgegooide pakketjes. De klachtencommissie erkent dat het visueel vaststellen van klager die overgegooide pakketjes opraapt, verdeelt en aanneemt, een individuele aanwijzing was om te vermoeden dat klager in het bezit was van een verboden voorwerp en dat een controle bijgevolg vereist was.
De klachtencommissie is echter van oordeel dat het verkiezen van een naaktfouille, boven een onderzoek aan de kledij in dit dossier niet gemotiveerd werd. De directeur dient voorafgaandelijk ook te oordelen of een onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of betrokkene in het bezit is van verboden voorwerpen. In casu had men de mogelijkheid om een onderzoek aan de kledij te doen. In de beslissing is niet gemotiveerd waarom meteen gekozen is voor de meest invasieve controlemaatregel. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de fouillering op het lichaam onwettig was. De klacht tegen de fouillering op het lichaam is kennelijk gegrond.
De klacht is ten tweede gericht tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel. Deze kwam er na een rapport dat vechtpartijen en verschillende activiteiten rond overgegooide pakketjes beschrijven. De klachtencommissie is van oordeel dat het gaat om feiten die een tuchtinbreuk uitmaken. De Basiswet bepaalt dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, enkel de tuchtprocedure wordt opgestart. Er bestaat geen twijfel over dat de feiten het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie twijfelde daar ook niet aan aangezien zij een voorlopige maatregel had bevolen, een maatregel in afwachting van een tuchtprocedure. De directie had dan ook een tuchtprocedure moeten opstarten. Om deze reden is de klacht kennelijk gegrond.
De klacht is ten eerste gericht tegen de fouillering op het lichaam. De beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam werd bevolen naar aanleiding van een rapport. De opsteller van het RAD had klager geïdentificeerd als één van de gedetineerden die actief had deelgenomen aan het oprapen, doorgeven en uitdelen van overgegooide pakketjes. De klachtencommissie erkent dat het visueel vaststellen van klager die overgegooide pakketjes opraapt, verdeelt en aanneemt, een individuele aanwijzing was om te vermoeden dat klager in het bezit was van een verboden voorwerp en dat een controle bijgevolg vereist was.
De klachtencommissie is echter van oordeel dat het verkiezen van een naaktfouille, boven een onderzoek aan de kledij in dit dossier niet gemotiveerd werd. De directeur dient voorafgaandelijk ook te oordelen of een onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of betrokkene in het bezit is van verboden voorwerpen. In casu had men de mogelijkheid om een onderzoek aan de kledij te doen. In de beslissing is niet gemotiveerd waarom meteen gekozen is voor de meest invasieve controlemaatregel. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de fouillering op het lichaam onwettig was. De klacht tegen de fouillering op het lichaam is kennelijk gegrond.
De klacht is ten tweede gericht tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel. Deze kwam er na een rapport dat vechtpartijen en verschillende activiteiten rond overgegooide pakketjes beschrijven. De klachtencommissie is van oordeel dat het gaat om feiten die een tuchtinbreuk uitmaken. De Basiswet bepaalt dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, enkel de tuchtprocedure wordt opgestart. Er bestaat geen twijfel over dat de feiten het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie twijfelde daar ook niet aan aangezien zij een voorlopige maatregel had bevolen, een maatregel in afwachting van een tuchtprocedure. De directie had dan ook een tuchtprocedure moeten opstarten. Om deze reden is de klacht kennelijk gegrond.