Ga verder naar de inhoud

KC02/22-0117

Fondée KC - Antwerpen Commission des plaintes Disciplinaire Fouille à corps
TUCHT - FOUILLE - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - MOTIVERING

De beslissing tot fouille aan het lichaam is als volgt gemotiveerd:
“Er zijn sterke aanwijzingen dat er zich een GSM bevindt in de verblijfsruimte, namelijk:
Tijdens observaties op cel werd gezien dat betrokkene een lichtgevend voorwerp leek te bedienen/verstopt onder het laken/…
Er wordt een celcontrole uitgevoerd. De kans bestaat echter dat de GSM verstopt is op het lichaam. Om deze reden is een naaktfouille noodzakelijk.”
De klachtencommissie is van oordeel dat een individuele aanwijzing bestond die de fouillering op het lichaam rechtvaardigde. De klacht tegen de beslissing tot fouille is niet gegrond.

De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing waarbij klager 30 dagen ATV opgelegd kreeg voor de tuchtinbreuken:
- “Het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”
- “Het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken”

Het vermoeden van onschuld is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van de ten laste gelegde tuchtinbreuk, maar ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) kan worden toegerekend. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt niet waarom de tuchtinbreuk van het bezit van de voorwerpen individueel aan klager toegerekend wordt. In het verweer schrijft de directie dat klager geen verklaring wilde afleggen tijdens de tuchtzitting. Dit impliceert volgens de directie ook dat “hij niets ter verdediging voorbracht en dus geen enkele argumentatie bood.” De bovenstaande redenering van de directie schendt het verbod op zelfincriminatie. De directie kan de tuchtbeslissing van klager dan ook niet motiveren door te verwijzen naar het gebruik dat de medegedetineerde maakt van zijn zwijgrecht. Bovendien verwijst de directie in haar verweer naar het lichtgevend voorwerp onder de lakens tijdens de nacht om de betrokkenheid van klager te motiveren. Deze motivering staat niet opgenomen in de tuchtbeslissing zelf. De motivering van de tuchtbeslissing is dan ook gebrekkig. Uit de procedure blijkt tot slot dat alle celgenoten dezelfde tuchtsanctie hebben gekregen voor dezelfde feiten. De directeur heeft het verbod op collectieve straffen geschonden. De tuchtbeslissing is dus niet wettelijk genomen. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing moet vernietigd worden en moet uit het tuchtrechtelijk verleden van klager verwijderd worden.