Ga verder naar de inhoud

KC02/22-0083

Fondée KC - Antwerpen Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - TOEREKENBAARHEID

De klachtencommissie benadrukt het belang van het vermoeden van onschuld. De klachtencommissie meent dat het dossier geen bewijselementen bevat dat klager de gevonden gsm en drugs heeft gebruikt. Hoewel dus niet bewezen is dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de bovenstaande inbreuken én de celgenoot van klager bovendien heeft bekend dat de gevonden voorwerpen van hem zijn, meent de directie dat klager toch gesanctioneerd diende te worden omdat hij op de hoogte was dat er verboden voorwerpen op zijn cel aanwezig waren én hij dit niet heeft gemeld. De directie noemt dit passieve deelname.

De klachtencommissie, hierin gesteund door rechtspraak van andere klachtencommissies, wenst echter nogmaals te benadrukken dat het louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van verboden voorwerpen in zijn cel niet voldoende is om een tuchtinbreuk toe te rekenen aan een gedetineerde. Opdat sprake kan zijn van medeplichtigheid is een daad van medeplichtigheid vereist. Dit kan enkel het geval zijn wanneer klager de dader zou hebben geholpen in daden die de inbreuk hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid. De directie haalt in haar motivering van de tuchtbeslissing geen zo’n daad van medeplichtigheid aan. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de tuchtinbreuk werd opgelegd in strijd met het vermoeden van onschuld. De klacht is gegrond.