KC02/22-0065
Fondée
Compensation
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - MEDEPLICHTIGHEID - TEGEMOETKOMING
De klachtencommissie benadrukt het belang van het vermoeden van onschuld. De Basiswet heeft dit fundamenteel beginsel ingebouwd in de tuchtprocedure en vereist dat de ten laste gelegde feiten, op grond van al het bewijsmateriaal dat ter beschikking is, bewezen worden geacht én de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig wordt geacht, opdat een gedetineerde tuchtrechtelijk kan worden gesanctioneerd.
De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. De tuchtoverheid mag daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. De klachtencommissie is enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde. Bijgevolg moet op basis van al deze mogelijke bewijsmiddelen bewezen zijn dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van of de handel door of krachtens de wet verboden substanties. Het louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van drugs in de cel is daarbij niet voldoende. Opdat sprake is van medeplichtigheid is een daad van medeplichtigheid vereist.
De klachtencommissie meent dat de verklaring van klager dat zijn voormalige celgenoot de drugs heeft achtergelaten op de cel, niet prima facie ongeloofwaardig is. De klachtencommissie stelt echter vast dat de directie deze piste onvoldoende heeft onderzocht. De directeur opperde tijdens de tuchthoorzitting dat de drugs van één van beide of van beiden moet zijn. Nochtans ontkennen zowel klager als zijn celgenoot een tuchtinbreuk te hebben begaan en werd niet bewezen van wie de drugs waren. Toch heeft de directeur zowel klager als zijn celgenoot gesanctioneerd omdat hun verklaringen ongeloofwaardig zouden zijn. De klachtencommissie meent dat deze zienswijze strijdig is met het verbod op collectieve straffen en dat de tuchtinbreuk bijgevolg niet individueel aan klager kon toegerekend worden.
De klacht is gegrond. De tuchtsanctie werd reeds volledig uitgezeten. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden, kent de klachtencommissie, na hierover de directeur te hebben gehoord, een tegemoetkoming toe aan klager bestaande uit één extra sportactiviteit.
De klachtencommissie benadrukt het belang van het vermoeden van onschuld. De Basiswet heeft dit fundamenteel beginsel ingebouwd in de tuchtprocedure en vereist dat de ten laste gelegde feiten, op grond van al het bewijsmateriaal dat ter beschikking is, bewezen worden geacht én de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig wordt geacht, opdat een gedetineerde tuchtrechtelijk kan worden gesanctioneerd.
De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. De tuchtoverheid mag daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. De klachtencommissie is enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde. Bijgevolg moet op basis van al deze mogelijke bewijsmiddelen bewezen zijn dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van of de handel door of krachtens de wet verboden substanties. Het louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van drugs in de cel is daarbij niet voldoende. Opdat sprake is van medeplichtigheid is een daad van medeplichtigheid vereist.
De klachtencommissie meent dat de verklaring van klager dat zijn voormalige celgenoot de drugs heeft achtergelaten op de cel, niet prima facie ongeloofwaardig is. De klachtencommissie stelt echter vast dat de directie deze piste onvoldoende heeft onderzocht. De directeur opperde tijdens de tuchthoorzitting dat de drugs van één van beide of van beiden moet zijn. Nochtans ontkennen zowel klager als zijn celgenoot een tuchtinbreuk te hebben begaan en werd niet bewezen van wie de drugs waren. Toch heeft de directeur zowel klager als zijn celgenoot gesanctioneerd omdat hun verklaringen ongeloofwaardig zouden zijn. De klachtencommissie meent dat deze zienswijze strijdig is met het verbod op collectieve straffen en dat de tuchtinbreuk bijgevolg niet individueel aan klager kon toegerekend worden.
De klacht is gegrond. De tuchtsanctie werd reeds volledig uitgezeten. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden, kent de klachtencommissie, na hierover de directeur te hebben gehoord, een tegemoetkoming toe aan klager bestaande uit één extra sportactiviteit.