Ga verder naar de inhoud

BC/26-0262

Non fondée Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Régime de sécurité particulier individuel
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME – GEÏNTERNEERDE

De beroepsindienster, die het statuut heeft van geïnterneerde persoon, heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de directrice-generaal tot haar plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepsindienster heeft in haar beroepschrift nog veel andere en uiteenlopende zaken vermeld (o.a. over medische injecties en het gebruik van maatregelen van rechtstreekse dwang), maar daarvoor kan ze niet of niet rechtstreeks bij de beroepscommissie terecht. Het beroep is gedeeltelijk ontvankelijk.

Wat betreft de gegrondheid van het beroep, blijft de beroepscommissie er stelselmatig op wijzen dat een individueel bijzonder veiligheidsregime niet kan worden gebruikt als een zuiver zorgregime voor geïnterneerden, psychisch kwetsbare gedetineerden of prikkelbare gedetineerden. De beroepsindienster is een geïnterneerde persoon. Uit het administratief dossier blijkt onmiskenbaar haar psychische kwetsbaarheid. De beroepscommissie vindt het ‘aanhoudend gevaar voor de psychische en fysieke integriteit van derden’ dat volgens de bestreden beslissing uitgaat van de beroepsindienster niet aangetoond. Het enige incident gedurende vier weken bijzondere veiligheidsmaatregelen dat uit het dossier blijkt, is de ten aanzien van een verpleegkundige geuite bedreiging op 2 juli 2026. Hoewel deze bedreiging niet goed te praten valt, wijst de beroepscommissie op het psychisch kwetsbare karakter van de beroepsindienster en het feit dat zij zich op dat moment al enkele weken in een afzonderingsregime bevond. Uit dit ene dreigement kon niet zomaar een ‘voortdurende bedreiging’ voor de interne veiligheid worden afgeleid (i.c. een vermeende gevaar voor de psychische en fysieke integriteit van derden en voor dreigingen met fysieke agressie ten aanzien van het personeel). Wat overblijft, is de ‘onstabiele psychische toestand’ van de beroepsindienster, haar ‘bizarre uitspraken’ en het ‘aanhoudend gevaar van automutilatie en suïcide’. De beroepscommissie kan nog enigszins begrijpen waarom de directrice-generaal de maatregelen van het ontnemen of onthouden van bepaalde voorwerpen en de observatie overdag en tijdens de nacht noodzakelijk achtte, hoewel deze maatregelen in het kader van een individueel bijzonder veiligheidsregime in het geval van de beroepsindienster zeer dicht aanleunen bij een ‘zuiver zorgregime’. De beroepscommissie ziet echter niet in – en zij vindt het in de bestreden beslissing in ieder geval onvoldoende gemotiveerd – waarom de beroepsindienster niet zou kunnen deelnemen aan gemeenschappelijke activiteiten, waarom haar bezoek enkel maar achter een transparante wand kan en waarom zij in een beveiligde cel moet verblijven (en niet in een gewone cel gecombineerd met de maatregel van het onthouden van bepaalde voorwerpen).

De beroepscommissie is van oordeel dat het individueel bijzonder veiligheidsregime van de beroepsindienster, wat betreft de maatregelen waarvoor het regime behouden kan blijven, zeer dicht aanleunt bij een zuiver zorgregime, waarvoor zulke veiligheidsregimes eigenlijk niet dienen. De beroepscommissie wijst erop dat de beroepsindienster, zoals blijkt uit de bovenstaande mededeling, eigenlijk niet thuishoort in een gevangenismilieu. Dat in het dossier van de beroepsindienster een individueel bijzondere veiligheidsregime door de penitentiaire administratie werd gebruikt voor het trachten indijken, minstens beheersen, van de voortdurende risico’s op automutilatie en suïcide in hoofde van de beroepsindienster, is een ongewenst gevolg van het structureel in gebreke blijven van de Belgische Staat om voldoende maatregelen te nemen opdat geïnterneerde personen niet langer in de gevangenis zouden moeten verblijven doch wel in omstandigheden waarbij enerzijds de maatschappij wordt beschermd, maar anderzijds zij ook de zorg krijgen die hun toestand vereist met het oog op de maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie.

Het beroep is gedeeltelijk gegrond.
Er werd een klachtendossier met referentie KC97/26-0015 opgestart