Ga verder naar de inhoud

BC/26-0253

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Autre décision directeur Pas de décision du directeur
BESLISSING NAMENS DIRECTEUR - VORMING - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - FEITELIJK HANDELEN

(1) Overeenkomstig artikel 148 Basiswet kan een gedetineerde beklag doen over elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem genomen werd. De in deze bepaling bedoelde beslissing is elke beslissing, door of namens de directeur genomen, die betrekking heeft op de rechtspositie van de individuele gedetineerde binnen de gevangenis of op zijn bejegening binnen de gevangenis. Artikel 148 Basiswet moet zo worden geïnterpreteerd dat de bevoegdheid van de klachtencommissie zich niet beperkt tot loutere vernietigingsberoepen tegen bestuurlijke rechtshandelingen van de directie, maar dat de gedetineerden zich ook tot de klachtencommissie kunnen wenden om hun rechten met betrekking tot hun interne rechtspositie procedureel te laten gelden of vermeende krenkingen van hun rechten aan te vechten. Dit was de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever. Aan administratieve rechtscolleges zoals de klachtencommissies en de beroepscommissies kan inderdaad rechtsmacht worden toegekend niet alleen inzake geschillen over het objectieve recht (beroep tot nietigverklaring), maar ook inzake geschillen over politieke rechten, dit zijn geschillen die voortvloeien uit de uitoefening door of namens de directeur van prerogatieven van het openbaar gezag van de Staat.
Artikel 78 van de basiswet waarborgt het recht van de gedetineerde om opleidingen te volgen. Het niet kunnen volgen van een les ontneemt de klager de mogelijkheid om zijn opleiding ten volle op een goede manier te kunnen volgen en een ongeldige afwezigheid kan nadelige gevolgen hebben voor de voortzetting van de opleiding.
De gedetineerde die een opleiding volgt, is afhankelijk van de penitentiaire inrichting om die opleiding daadwerkelijk te kunnen bijwonen. Een klacht over de toekenning of uitoefening van het recht op opleiding houdt dan ook een geschil in dat voortvloeit uit de uitoefening door of namens de directeur van prerogatieven van het openbaar gezag van de Staat.
Voor de ontvankelijkheid van het beklag is niet vereist is dat het gaat over beslissingen die in beginsel door of rechtstreeks onder het gezag van de directeur worden genomen of over beslissingen die een personeelslid neemt op grond van een uitdrukkelijke delegatie van de directie. Ook beslissingen (of het verzuimen van beslissingen) die personeelsleden nemen (of begaan) binnen de grenzen van hun functie over de praktische uitvoering van hun taken – zoals de taak het nodige te doen opdat een gedetineerde kan deelnemen aan de opleiding waarvoor hij is ingeschreven – om de uitoefening van een recht door de klager mogelijk te maken of die tot gevolg hebben dat de klager zijn recht niet kan uitoefenen, zijn even goed beslissingen ‘namens de directeur’ waarover de gedetineerde beklag kan doen. Beslissingen die personeelsleden nemen binnen de grenzen van hun functie over de praktische uitvoering van hun taken, worden dan ook aan de directie toegerekend niet alleen wanneer de directie tot deze beslissing opdracht gaf, deze beslissing goedkeurde of achteraf bekrachtigde, maar in alle gevallen waarin deze beslissingen uiteindelijk hun grondslag vinden in de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de directeur. Een restrictieve interpretatie van artikel 148 Basiswet die een ontvankelijke klacht tegen een onterechte belemmering van de uitoefening van een recht uitsluit, zou afbreuk doen aan de nood aan rechtsbescherming die aan de detentiesituatie is aangepast. Alleen de beklagprocedure kan die aangepaste vorm van rechtsbescherming bieden. Zo kan de klachtencommissie door de gegrondverklaring van de klacht het geschonden rechtsgevoel van een klager herstellen en door de toekenning van een tegemoetkoming een klager enigszins compenseren voor een verloren opleidingsmoment.
De klachtencommissie besloot dan ook terecht tot de ontvankelijkheid van de klacht in zoverre gericht tegen het nalaten om de klager tijdig voor de opleiding op te roepen. Aangezien dit (al dan niet moedwillig) nalaten vaststaat, verklaarde de klachtencommissie de klacht eveneens terecht gegrond.
(2) Het eenmalig niet oproepen voor een gesprek met de PSD bracht nog niet de behandeling van klagers dossier in het gedrang. Het gemiste gesprek kon op een latere datum plaatsvinden. Aannemelijk is dat er sprake was van een misverstand in de communicatie. Een beklag tegen deze louter feitelijke tekortkoming die geen recht van de klager aantast, is niet ontvankelijk.