BC/26-0184
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Régime de sécurité particulier individuel
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - HERNIEUWING - VERTROUWELIJK ADVIES - PSYCHOMEDISCH VERSLAG - ZORGPLICHT DIRECTEUR
De beroepscommissie stelt vast dat beroepsindiener teruggrijpt naar quasi identieke argumentatie die hij in het verleden aanvoerde tegen een voorgaande hernieuwing van 29 januari 2026, zodat zij vooreerst herinnert aan hetgeen zij in haar uitspraak van 30 april 2026 overwoog (BC/26-0031) inzake de motieven en actuele dreiging.
Ook de thans voorliggende bestreden beslissing van 29 mei 2026 steunt op een geactualiseerd vertrouwelijk advies conform het artikel 118 §3/1 eerste lid van de basiswet, daterend van 12 mei 2026.De in het advies vermelde redenen maken mee deel uit van de materiële motivering van de bestreden beslissing. Voor zover als nodig benadrukt de beroepscommissie nog dat deze motieven overeenkomstig artikel 8 van de basiwet inderdaad afgeschermd blijven van beroepsindiener, doch dat de essentie ervan aan beroepsindiener werd meegedeeld in het voorstel en dat de beroepscommissie van het advies zelf heeft kennisgenomen.Hoewel er thans geen ‘ontvluchtingsgevaar’ meer wordt weerhouden, is er nog steeds sprake van een actueel risico op verderzetting van criminele activiteiten.De beroepscommissie is van oordeel dat de directrice-generaal in redelijkheid tot de conclusie is gekomen dat op grond van de redenen vermeld in het geactualiseerd advies en de andere redenen vermeld in de bestreden beslissing, beroepsindiener nog steeds een ernstige, reële en voortdurende bedreiging uitmaakt.
Beroepsindiener wordt erp gewezen dat de omstandigheid dat opeenvolgende voorstellen resp. beslissingen tot hernieuwing van IBVR op vergelijkbare wijze de “concrete, bijzondere omstandigheden of houdingen” in de zin van artikel 118 §3/1 lid 2 beschrijven, niet inhoudt dat de motivering zou neerkomen op een automatische standaardformulering zonder actuele draagwijdte. Ook het ongewijzigd voortbestaan van “concrete omstandigheden dat de gedetineerde een reëel en ernstig risico vormt voor de veiligheid vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad” (artikel 117 §2 van de basiswet), brengt mee dat de omstandigheden op vergelijkbare wijze worden omschreven.
In het kader van de thans voorliggende hernieuwing, is er bovendien sprake van een recente veroordeling van 29 april 2026 als leider van een criminele organisatie, zodat er in casu zelfs sprake is van nieuwe omstandigheden bovenop de ongewijzigde voortdurende omstandigheden. Anders dan beroepsindiener aanvoert, doet het gegeven dat hij deels werd vrijgesproken (wat betreft de bedreiging en de belaging van een onderzoeksrechter) en voor het overige tegen deze veroordeling beroep aantekende, niets af aan de realiteit en de ernst van het risico.
Wat betreft het psycho-medisch verslag kan beroepsindiener niet ernstig beweren dat de directrice-generaal de analyse van de psychiater ‘volledig’ naast zich neer legt. Wel stelt de beroepscommissie vast dat niet uidrukkelijk werd ingegaan op een nieuw aandachtspunt, met name de nood aan intellectuele uitdagingen. In de mate dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat beroepsindiener naast een DVD-speler ook ‘tekeningen ontving om in te kleuren’, ontgaat het de beroepscommissie in welke zin dit als een intellectuele uitdagend aanbod kan worden beschouwd. Wel wordt gesteld dat hij toegang heeft tot de bibliotheek en reeds individuele opleidingsmogelijkheden ‘genoot’. Voor zover als nodig wijst de beroepscommissie er op dat er door de penitentiaire administratie op dient te worden toegezien dat deze mogelijkheden op regelmatige basis blijvend worden aangeboden, opdat de ‘nood aan voldoende geestelijke prikkelingen’ kan worden ingevuld.
Ondanks het feit dat de psychiater wat betreft de mentale impact van het regime thans minder expliciete bezorgdheden uit, betwijfelt de beroepscommissie vervolgens niet dat er nog steeds sprake is van een aanhoudende lijdensdruk, gelet de ongewijzigde verderzetting van het regime. In het bijzonder werd door de beroepscommissie in haar laatste uitspraak inzake beroepsindiener (BC/26-0124) benadrukt dat de penitentiaire administratie het hoger belang van het kind als eerste overweging dient te nemen wat betreft het bezoek van zijn minderjarige broers en zussen, omdat daarmee in het bijzonder wordt tegemoetgekomen aan de in het psycho-medisch verslag beschreven vrees van vervreemding ten aanzien van zijn minderjarige familieleden.De directrice-generaal kon met deze overwegingen nog geen rekening houden in de thans bestreden beslissing, aangezien deze uitspraak van de beroepscommissie pas nadien volgde.
Beroepsindiener uit in het thans voorliggende beroepschrift echter geen grieven meer in verband met dit aspect, zodat kan worden aangenomen dat hij zelf ten aanzien van de lokale directie de nodige stappen ondernam om zijn zorgen hieromtrent te uiten en dat de penitentiaire administratie intussen een meer kindvriendelijk verloop van de familiale contacten verwezenlijkte, binnen de door het IBVR bepaalde begrenzingen.
Tot slot voert beroepsindiener opnieuw een schending aan van het artikel 118 §5 van de basiswet, omdat hij nog steeds resp. opnieuw niet wekelijks wordt bezocht door de arts sinds zijn overplaatsing naar de gevangenis van Brugge.
De directrice-generaal wijst er op dat in het kader van de vorige hernieuwingen een gelijkaardige grief door de beroepscommissie werd verworpen, omdat dit ‘alleen de naleving (betreft) van een wettelijke verplichting die vreemd blijft aan de beslissing tot hernieuwing van het IBVR zodat de rechtmatigheid van deze beslissing hierdoor niet wordt aangetast.’
Het feit dat de beroepscommissie opnieuw niet anders kan dan vaststellen dat de rechtmatigheid van de bestreden hernieuwingsbeslissing hierdoor niet is aangetast, neemt niet weg dat het de wenkbrauwen doet fronsen dat deze waarborg doorheen de tijd steeds meer met de voeten wordt getreden door de lokale penitentiaire administratie.
Deze kritieken kunnen evenwel geen aanleiding geven tot de vernietiging van de thans bestreden hernieuwing. Niet alleen omdat beroepsindiener voorts geenszins concretiseert welke urgente medische zorgen hij heeft ontbeerd, doch in het bijzonder omdat de directrice-generaal dient zich te baseren op het psycho-medisch verslag om zich te vergewissen van de verenigbaarheid van de hernieuwing met de gezondheidstoestand.
Zoals boven aangegeven, besloot de psychiater op 22 mei 2026 dat er geen sprake is van gezondheidsproblemen die er toe zouden leiden dat de hernieuwing niet verenigbaar is met de gezondheidstoestand van beroepsindiener.
Het feit dat beroepsindiener in de maand mei niet wekelijks door de gevangenisarts werd gezien, belette met andere woorden niet dat de directrice-generaal op grond van het psycho-medisch verslag van 22 mei 2026 in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat dit niet aan de verlenging van het IBVR in de weg staat.
Ook het feit dat beroepsindiener nog geen tandarts en kinesist kon raadplegen, haalt de bovenstaande vaststelling niet onderuit.
Beroepsindiener maakt de urgentie daarvan bovendien geenszins hard, terwijl de directrice-generaal in haar verweer opmerkt dat beroepsindiener intussen op 2 juni 2026 gezien werd door de tandarts, alsook dat er een vervolgafspraak werd ingepland.
Voor de goede orde herinnert de beroepscommissie eraan dat het niet de beroepscommissie, doch de klachtencommissie is die overeenkomstig artikel 148 van de basiswet kan worden gevat wanneer blijkt dat de locale directeur verzaakt aan de zorgplicht.
De beroepscommissie stelt vast dat beroepsindiener teruggrijpt naar quasi identieke argumentatie die hij in het verleden aanvoerde tegen een voorgaande hernieuwing van 29 januari 2026, zodat zij vooreerst herinnert aan hetgeen zij in haar uitspraak van 30 april 2026 overwoog (BC/26-0031) inzake de motieven en actuele dreiging.
Ook de thans voorliggende bestreden beslissing van 29 mei 2026 steunt op een geactualiseerd vertrouwelijk advies conform het artikel 118 §3/1 eerste lid van de basiswet, daterend van 12 mei 2026.De in het advies vermelde redenen maken mee deel uit van de materiële motivering van de bestreden beslissing. Voor zover als nodig benadrukt de beroepscommissie nog dat deze motieven overeenkomstig artikel 8 van de basiwet inderdaad afgeschermd blijven van beroepsindiener, doch dat de essentie ervan aan beroepsindiener werd meegedeeld in het voorstel en dat de beroepscommissie van het advies zelf heeft kennisgenomen.Hoewel er thans geen ‘ontvluchtingsgevaar’ meer wordt weerhouden, is er nog steeds sprake van een actueel risico op verderzetting van criminele activiteiten.De beroepscommissie is van oordeel dat de directrice-generaal in redelijkheid tot de conclusie is gekomen dat op grond van de redenen vermeld in het geactualiseerd advies en de andere redenen vermeld in de bestreden beslissing, beroepsindiener nog steeds een ernstige, reële en voortdurende bedreiging uitmaakt.
Beroepsindiener wordt erp gewezen dat de omstandigheid dat opeenvolgende voorstellen resp. beslissingen tot hernieuwing van IBVR op vergelijkbare wijze de “concrete, bijzondere omstandigheden of houdingen” in de zin van artikel 118 §3/1 lid 2 beschrijven, niet inhoudt dat de motivering zou neerkomen op een automatische standaardformulering zonder actuele draagwijdte. Ook het ongewijzigd voortbestaan van “concrete omstandigheden dat de gedetineerde een reëel en ernstig risico vormt voor de veiligheid vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad” (artikel 117 §2 van de basiswet), brengt mee dat de omstandigheden op vergelijkbare wijze worden omschreven.
In het kader van de thans voorliggende hernieuwing, is er bovendien sprake van een recente veroordeling van 29 april 2026 als leider van een criminele organisatie, zodat er in casu zelfs sprake is van nieuwe omstandigheden bovenop de ongewijzigde voortdurende omstandigheden. Anders dan beroepsindiener aanvoert, doet het gegeven dat hij deels werd vrijgesproken (wat betreft de bedreiging en de belaging van een onderzoeksrechter) en voor het overige tegen deze veroordeling beroep aantekende, niets af aan de realiteit en de ernst van het risico.
Wat betreft het psycho-medisch verslag kan beroepsindiener niet ernstig beweren dat de directrice-generaal de analyse van de psychiater ‘volledig’ naast zich neer legt. Wel stelt de beroepscommissie vast dat niet uidrukkelijk werd ingegaan op een nieuw aandachtspunt, met name de nood aan intellectuele uitdagingen. In de mate dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat beroepsindiener naast een DVD-speler ook ‘tekeningen ontving om in te kleuren’, ontgaat het de beroepscommissie in welke zin dit als een intellectuele uitdagend aanbod kan worden beschouwd. Wel wordt gesteld dat hij toegang heeft tot de bibliotheek en reeds individuele opleidingsmogelijkheden ‘genoot’. Voor zover als nodig wijst de beroepscommissie er op dat er door de penitentiaire administratie op dient te worden toegezien dat deze mogelijkheden op regelmatige basis blijvend worden aangeboden, opdat de ‘nood aan voldoende geestelijke prikkelingen’ kan worden ingevuld.
Ondanks het feit dat de psychiater wat betreft de mentale impact van het regime thans minder expliciete bezorgdheden uit, betwijfelt de beroepscommissie vervolgens niet dat er nog steeds sprake is van een aanhoudende lijdensdruk, gelet de ongewijzigde verderzetting van het regime. In het bijzonder werd door de beroepscommissie in haar laatste uitspraak inzake beroepsindiener (BC/26-0124) benadrukt dat de penitentiaire administratie het hoger belang van het kind als eerste overweging dient te nemen wat betreft het bezoek van zijn minderjarige broers en zussen, omdat daarmee in het bijzonder wordt tegemoetgekomen aan de in het psycho-medisch verslag beschreven vrees van vervreemding ten aanzien van zijn minderjarige familieleden.De directrice-generaal kon met deze overwegingen nog geen rekening houden in de thans bestreden beslissing, aangezien deze uitspraak van de beroepscommissie pas nadien volgde.
Beroepsindiener uit in het thans voorliggende beroepschrift echter geen grieven meer in verband met dit aspect, zodat kan worden aangenomen dat hij zelf ten aanzien van de lokale directie de nodige stappen ondernam om zijn zorgen hieromtrent te uiten en dat de penitentiaire administratie intussen een meer kindvriendelijk verloop van de familiale contacten verwezenlijkte, binnen de door het IBVR bepaalde begrenzingen.
Tot slot voert beroepsindiener opnieuw een schending aan van het artikel 118 §5 van de basiswet, omdat hij nog steeds resp. opnieuw niet wekelijks wordt bezocht door de arts sinds zijn overplaatsing naar de gevangenis van Brugge.
De directrice-generaal wijst er op dat in het kader van de vorige hernieuwingen een gelijkaardige grief door de beroepscommissie werd verworpen, omdat dit ‘alleen de naleving (betreft) van een wettelijke verplichting die vreemd blijft aan de beslissing tot hernieuwing van het IBVR zodat de rechtmatigheid van deze beslissing hierdoor niet wordt aangetast.’
Het feit dat de beroepscommissie opnieuw niet anders kan dan vaststellen dat de rechtmatigheid van de bestreden hernieuwingsbeslissing hierdoor niet is aangetast, neemt niet weg dat het de wenkbrauwen doet fronsen dat deze waarborg doorheen de tijd steeds meer met de voeten wordt getreden door de lokale penitentiaire administratie.
Deze kritieken kunnen evenwel geen aanleiding geven tot de vernietiging van de thans bestreden hernieuwing. Niet alleen omdat beroepsindiener voorts geenszins concretiseert welke urgente medische zorgen hij heeft ontbeerd, doch in het bijzonder omdat de directrice-generaal dient zich te baseren op het psycho-medisch verslag om zich te vergewissen van de verenigbaarheid van de hernieuwing met de gezondheidstoestand.
Zoals boven aangegeven, besloot de psychiater op 22 mei 2026 dat er geen sprake is van gezondheidsproblemen die er toe zouden leiden dat de hernieuwing niet verenigbaar is met de gezondheidstoestand van beroepsindiener.
Het feit dat beroepsindiener in de maand mei niet wekelijks door de gevangenisarts werd gezien, belette met andere woorden niet dat de directrice-generaal op grond van het psycho-medisch verslag van 22 mei 2026 in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat dit niet aan de verlenging van het IBVR in de weg staat.
Ook het feit dat beroepsindiener nog geen tandarts en kinesist kon raadplegen, haalt de bovenstaande vaststelling niet onderuit.
Beroepsindiener maakt de urgentie daarvan bovendien geenszins hard, terwijl de directrice-generaal in haar verweer opmerkt dat beroepsindiener intussen op 2 juni 2026 gezien werd door de tandarts, alsook dat er een vervolgafspraak werd ingepland.
Voor de goede orde herinnert de beroepscommissie eraan dat het niet de beroepscommissie, doch de klachtencommissie is die overeenkomstig artikel 148 van de basiswet kan worden gevat wanneer blijkt dat de locale directeur verzaakt aan de zorgplicht.