Ga verder naar de inhoud

BC/26-0145

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Régime de sécurité particulier individuel
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME

De beroepsindiener heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de directrice-generaal tot zijn plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime.

Ten eerste stelt de beroepscommissie dat de beroepsindiener werd gehoord op een hoorzitting op 21 april 2026. De directeur had reeds op 13 april 2026 aan de arts van de gevangenis een medisch advies gevraagd. De arts van de gevangenis heeft de beroepsindiener in dit kader gezien op 20 april 2026, doch zijn advies dateert van 22 april 2026 en dus van ná het hoormoment. De beroepsindiener werd zodoende niet in de gelegenheid gesteld om zijn eventuele opmerkingen over dat advies te maken. Uit de beschikbare informatie blijkt evenmin dat de beroepsindiener (en zijn advocaat) na het hoormoment nog in de gelegenheid zouden gesteld zijn om hun opmerkingen te maken over dat advies. Gelet op de inhoud van dat advies, waarin werd gewezen op de nefaste invloed van het gebrek aan dagstructuur en de isolatie op de mentale gezondheid van de beroepsindiener en de opmerking van de arts om deelname aan de zorg mogelijk te maken, was het horen van de opmerkingen van de beroepsindiener en zijn advocaat hierover des te belangrijk. Alleen al hierdoor is er sprake van een miskenning van het hoorrecht.

Ten tweede merkt de beroepscommissie op dat er ook niet echt sprake is geweest van een ‘hoormoment’. De directeur heeft de beroepsindiener, aan het begin van het hoormoment, meegedeeld “We gaan de veiligheidsmaatregel nog met een week verlengen. Heb je nog vragen?”. Nog los van het feit dat aan de beroepsindiener foutieve informatie werd meegegeven (het hoormoment diende voor de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime, dat meestal voor een periode van twee maanden wordt opgelegd), blijkt de beroepsindiener louter te zijn geïnformeerd over een beslissing die reeds genomen was. De beroepsindiener kon enkel maar vragen stellen, wat bezwaarlijk kan worden beschouwd als het ‘in de gelegenheid stellen om zijn verweermiddelen te laten gelden’. De beroepsindiener blijkt bovendien zeer duidelijk met een psychische kwetsbaarheid te kampen, niet in het minst tijdens de periode voorafgaand aan en op het moment van het voeren van de procedure tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime. Dit wordt niet ontkend in de bestreden beslissing, aangezien de plaatsing o.a. wordt gerechtvaardigd door de “aanhoudende onstabiele psychische toestand van betrokkene”. Uit het verslag van het hoormoment blijkt dat de beroepsindiener zonder de bijstand van een advocaat zijn hoorrecht niet op een nuttige wijze kon uitoefenen. Hij blijkt verschillende keren ‘voor zich uit te hebben gestaard’ en te hebben ‘gemompeld’. Van de directie kon, als behoorlijk bestuur, worden verwacht dat zij erop had toegezien dat de beroepsindiener werd bijgestaan door zijn advocaat, opdat hij zijn hoorrecht op een nuttige wijze had kunnen uitoefenen.

Om al deze redenen is het beroep gegrond.