TUCHT – VERBODEN SUBSTANTIES
Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht tegen een tuchtbeslissing ontvankelijk, maar niet gegrond werd verklaard. Het beroep gaat over de feiten waarbij in klagers schoen pillen werden aantroffen. De directie heeft deze inbreuk gekwalificeerd als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van eerste categorie). Aangezien het volgens klager echter om opgespaarde medicatie ging, kon het volgens hem hoogstens een inbreuk van tweede categorie zijn, met name het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. De beroepscommissie bevestigt dat, indien er sprake was geweest van (opgespaarde) medicatie, klager inderdaad enkel maar een inbreuk van tweede categorie kon verweten zijn. De directie meende op basis van verschillende elementen, die zij heeft vermeld in de tuchtbeslissing, dat het in dit dossier wel degelijk ging om verboden substanties. Zij wees op het feit dat de pillen verstopt waren. En op het feit dat deze niet door de medische dienst konden worden geïdentificeerd als Tramadol en de gebruikelijke ‘stempel of indruk’ ervan ontbrak, terwijl klager wel volhield dat het om zulke pillen ging. De directie kon in dit dossier, gelet op de specifieke omstandigheden ervan, de feiten terecht kwalificeren als de vermelde inbreuk van eerste categorie. De directie hoefde evenmin een test op de pillen uit te voeren om deze te kunnen beschouwen als door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht tegen een tuchtbeslissing ontvankelijk, maar niet gegrond werd verklaard. Het beroep gaat over de feiten waarbij in klagers schoen pillen werden aantroffen. De directie heeft deze inbreuk gekwalificeerd als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van eerste categorie). Aangezien het volgens klager echter om opgespaarde medicatie ging, kon het volgens hem hoogstens een inbreuk van tweede categorie zijn, met name het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. De beroepscommissie bevestigt dat, indien er sprake was geweest van (opgespaarde) medicatie, klager inderdaad enkel maar een inbreuk van tweede categorie kon verweten zijn. De directie meende op basis van verschillende elementen, die zij heeft vermeld in de tuchtbeslissing, dat het in dit dossier wel degelijk ging om verboden substanties. Zij wees op het feit dat de pillen verstopt waren. En op het feit dat deze niet door de medische dienst konden worden geïdentificeerd als Tramadol en de gebruikelijke ‘stempel of indruk’ ervan ontbrak, terwijl klager wel volhield dat het om zulke pillen ging. De directie kon in dit dossier, gelet op de specifieke omstandigheden ervan, de feiten terecht kwalificeren als de vermelde inbreuk van eerste categorie. De directie hoefde evenmin een test op de pillen uit te voeren om deze te kunnen beschouwen als door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.