ONGESTOORD BEZOEK - GEINTERNEERDE - INTRAFAMILAAL GEWELD
De beroepscommissie behandelt deze zaak samen met het beroep geregistreerd als BC/26-0157, omwille van de interne verwevenheid.
Klager, geïnterneerd voor feiten van intrafamiliaal geweld, deed voor de tweede keer een aanvraag voor ongestoord bezoek met zijn nieuwe vriendin. Hij diende twee klachten in tegen de weigeringsbeslissing van de directeur hieromtrent.
De beroepscommissie stelt vooreerst vast dat de klachtencommissie beide klachten om onduidelijke redenen registreerde onder verschillende dossiernummers, terwijl de klacht die zij op 8 februari ontving van klager had moeten worden toegevoegd aan het hangende klachtendossier zoals reeds opgestart door zijn raadsman op 26 januari 2026. Om die reden behandelt de beroepscommissie beide beroepschriften thans samen.
De klacht werd door de klachtencommissie in eerste instantie ten onrechte kennelijk onontvankelijk verklaard op 13 februari 2026. Klager diende immers geen klacht in tegen het advies van de PSD an sich, doch uitdrukkelijk tegen de weigering ongestoord bezoek. Dat de klacht -in het licht van de klacht ingediend door de raadsman- wel degelijk ontvankelijk is, wordt echter uitdrukkelijk bevestigd in de tweede bestreden uitspraak van de klachtencommissie.
Wat betreft de grond van de zaak, sluit de beroepscommissie zich aan bij de uitgebreide overwegingen in deze uitspraak van 10 mei 2026. Klager brengt in zijn beroepschrift geen elementen aan die de beroepscommissie zouden kunnen overtuigen tot een ander oordeel dan de klachtencommissie die zijn klacht terecht ongegrond verklaarde. Op goede grond overweegt zij dat de strafrechtelijke veroordeling voor intrafamiliaal geweld niet het determinerende en enige motief was om zijn aanvraag ongestoord bezoek voor de tweede keer vooralsnog te weigeren.
Ook de beroepscommissie benadrukt dat zodra een voldoende stabiele basis is gelegd op grond van de gewone bezoeken met zijn partner, het klager vrijstaat een nieuwe aanvraag in te dienen die dan opnieuw geëvalueerd kan worden.
De beroepscommissie behandelt deze zaak samen met het beroep geregistreerd als BC/26-0157, omwille van de interne verwevenheid.
Klager, geïnterneerd voor feiten van intrafamiliaal geweld, deed voor de tweede keer een aanvraag voor ongestoord bezoek met zijn nieuwe vriendin. Hij diende twee klachten in tegen de weigeringsbeslissing van de directeur hieromtrent.
De beroepscommissie stelt vooreerst vast dat de klachtencommissie beide klachten om onduidelijke redenen registreerde onder verschillende dossiernummers, terwijl de klacht die zij op 8 februari ontving van klager had moeten worden toegevoegd aan het hangende klachtendossier zoals reeds opgestart door zijn raadsman op 26 januari 2026. Om die reden behandelt de beroepscommissie beide beroepschriften thans samen.
De klacht werd door de klachtencommissie in eerste instantie ten onrechte kennelijk onontvankelijk verklaard op 13 februari 2026. Klager diende immers geen klacht in tegen het advies van de PSD an sich, doch uitdrukkelijk tegen de weigering ongestoord bezoek. Dat de klacht -in het licht van de klacht ingediend door de raadsman- wel degelijk ontvankelijk is, wordt echter uitdrukkelijk bevestigd in de tweede bestreden uitspraak van de klachtencommissie.
Wat betreft de grond van de zaak, sluit de beroepscommissie zich aan bij de uitgebreide overwegingen in deze uitspraak van 10 mei 2026. Klager brengt in zijn beroepschrift geen elementen aan die de beroepscommissie zouden kunnen overtuigen tot een ander oordeel dan de klachtencommissie die zijn klacht terecht ongegrond verklaarde. Op goede grond overweegt zij dat de strafrechtelijke veroordeling voor intrafamiliaal geweld niet het determinerende en enige motief was om zijn aanvraag ongestoord bezoek voor de tweede keer vooralsnog te weigeren.
Ook de beroepscommissie benadrukt dat zodra een voldoende stabiele basis is gelegd op grond van de gewone bezoeken met zijn partner, het klager vrijstaat een nieuwe aanvraag in te dienen die dan opnieuw geëvalueerd kan worden.