VORM
Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht over een tuchtbeslissing ontvankelijk, maar ongegrond werd verklaard. Klager stelt in zijn beroepschrift vooreerst dat hij het verweer van de directie niet heeft ontvangen. De beroepscommissie bevestigt dat het aan de directie zelf toekomt om haar verweer aan de gedetineerde te bezorgen. Indien klager het verweer van de directie niet heeft ontvangen – wat niet wordt betwist – is dit betreurenswaardig, maar het brengt niet met zich mee dat er op het niveau van de klachtencommissie een schending van zijn rechten van verdediging zou zijn geweest. Voor zover klager zou menen dat er nog steeds een schending van zijn rechten van verdediging zou zijn (dit blijkt niet eenduidig uit zijn beroepschrift), wijst de beroepscommissie erop dat het verweer van de directeur integraal werd opgenomen in de beslissing van de klachtencommissie. Klager beschikte zodoende sinds het ontvangen van de beslissing van de klachtencommissie over het integrale verweer van de directie.
Klager stelt in zijn beroepschrift vervolgens nog dat zijn ‘volledige argumentatie’ zou volgen nadat hij zijn advocaat heeft gezien. De beroepscommissie stelt vast dat zij via klager uiteindelijk de naam heeft doorgekregen van zijn advocaat. In zijn beroepschrift geeft klager echter geen enkele reden waarom hij het oneens is met de beslissing van de klachtencommissie en waarom hij meent dat zijn initiële klacht wel gegrond was. Klagers advocaat heeft louter zijn tussenkomst bevestigd, maar geen nadere toelichting bezorgd bij het beroepschrift noch een ‘volledige argumentatie’. Ook van klager zelf heeft de beroepscommissie niets meer ontvangen. Hoewel volgens de beroepscommissie de vereisten uit de artikelen 159, § 2 en 159, § 3 j° 150, § 2 Basiswet niet op een restrictieve wijze ‘in het nadeel’ van de gedetineerde mogen worden geïnterpreteerd, kan wel worden verwacht dat een beroepschrift ‘met redenen is omkleed’ en dat enige (al zij het een feitelijke) omschrijving wordt gegeven van de redenen waarom de gedetineerde het oneens is met de beslissing van de klachtencommissie. De beroepscommissie kan er niet omheen dat klager in zijn beroepschrift geen (begin van) uiteenzetting van redenen heeft gegeven waarom hij het oneens is met de beslissing van de klachtencommissie en waarom zijn initiële klacht wel degelijk gegrond zou zijn. Het beroep is niet-ontvankelijk.
Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht over een tuchtbeslissing ontvankelijk, maar ongegrond werd verklaard. Klager stelt in zijn beroepschrift vooreerst dat hij het verweer van de directie niet heeft ontvangen. De beroepscommissie bevestigt dat het aan de directie zelf toekomt om haar verweer aan de gedetineerde te bezorgen. Indien klager het verweer van de directie niet heeft ontvangen – wat niet wordt betwist – is dit betreurenswaardig, maar het brengt niet met zich mee dat er op het niveau van de klachtencommissie een schending van zijn rechten van verdediging zou zijn geweest. Voor zover klager zou menen dat er nog steeds een schending van zijn rechten van verdediging zou zijn (dit blijkt niet eenduidig uit zijn beroepschrift), wijst de beroepscommissie erop dat het verweer van de directeur integraal werd opgenomen in de beslissing van de klachtencommissie. Klager beschikte zodoende sinds het ontvangen van de beslissing van de klachtencommissie over het integrale verweer van de directie.
Klager stelt in zijn beroepschrift vervolgens nog dat zijn ‘volledige argumentatie’ zou volgen nadat hij zijn advocaat heeft gezien. De beroepscommissie stelt vast dat zij via klager uiteindelijk de naam heeft doorgekregen van zijn advocaat. In zijn beroepschrift geeft klager echter geen enkele reden waarom hij het oneens is met de beslissing van de klachtencommissie en waarom hij meent dat zijn initiële klacht wel gegrond was. Klagers advocaat heeft louter zijn tussenkomst bevestigd, maar geen nadere toelichting bezorgd bij het beroepschrift noch een ‘volledige argumentatie’. Ook van klager zelf heeft de beroepscommissie niets meer ontvangen. Hoewel volgens de beroepscommissie de vereisten uit de artikelen 159, § 2 en 159, § 3 j° 150, § 2 Basiswet niet op een restrictieve wijze ‘in het nadeel’ van de gedetineerde mogen worden geïnterpreteerd, kan wel worden verwacht dat een beroepschrift ‘met redenen is omkleed’ en dat enige (al zij het een feitelijke) omschrijving wordt gegeven van de redenen waarom de gedetineerde het oneens is met de beslissing van de klachtencommissie. De beroepscommissie kan er niet omheen dat klager in zijn beroepschrift geen (begin van) uiteenzetting van redenen heeft gegeven waarom hij het oneens is met de beslissing van de klachtencommissie en waarom zijn initiële klacht wel degelijk gegrond zou zijn. Het beroep is niet-ontvankelijk.