Ga verder naar de inhoud

BC/25-0354

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT – VERBODEN SUBSTANTIES

Het inrichtingshoofd heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij klagers klacht tegen een tuchtbeslissing ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Er werd op klagers cel, die hij deelde met twee celgenoten, verboden substanties aangetroffen. Volgens de klachtencommissie was er sprake van een schending van het recht op tegenspraak. De directie had de verklaring van de derde celgenoot (die op het moment van de celcontrole waarbij de substanties werden aangetroffen op penitentiair verlof was) in klagers nadeel gebruikt; klager had hierover geen verdediging kunnen voeren. De beroepscommissie volgt deze overweging van de klachtencommissie niet. In tegenstelling tot de klachtencommissie vindt de beroepscommissie dat de verklaring van de derde celgenoot geen element betreft dat van belang was (laat staat van doorslaggevend belang) bij het bewezen verklaren van de feiten en de toerekening daarvan aan klager. Wel integendeel: voornamelijk op basis van de vaststellingen uit het RAD, dat voldoende duidelijk was opgesteld en niet op geloofwaardige wijze door klager werd tegengesproken op de tuchtzitting, heeft de directie klagers schuld afgeleid. Klager heeft op de tuchtzitting aangehaald dat hij van niets afwist. Wat klager en/of zijn advocaat hadden kunnen toevoegen over de verklaring van de derde celgenoot, die eveneens had aangegeven dat hij van niets af wist (en in tegenstelling tot klager geen voorgaanden had op het vlak van verboden substanties), is onduidelijk. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.